Wilde bloemenakker

Een paar dagen geleden liet ik de laatste serie zien die ik had gemaakt in natuurgebied Delta Schuitenbeek. Ik ben echter nog niet helemaal klaar met de vakantie op de Veluwe. Vandaag neem ik jullie mee naar een akker met wilde bloemen. We waren er al een aantal keren samen langsgefietst. Op een keer was ik alleen op pad en had de spiegelreflexcamera’s in de fietstassen. Dat was een mooie gelegenheid om mijn focus eens te richten op de wilde bloemen.

Er stonden meerdere soorten zonnebloemen. En verder ontdekte ik korenbloemen, klaprozen en distels.

Waar wilde bloemen staan, zijn ook insecten te vinden. Boven het veld dartelden heel veel klein geaderde witjes. Maar er vlogen ook bijen, hommels. En op de laatste foto zie je een Franse veldwesp naast een witje foerageren.

Waar insecten vliegen zijn ook vogels te vinden. Huiszwaluwen en boerenzwaluwen scheerden over de bloemen om zo hun kostje bij elkaar te scharrelen. En waar vogeltjes vliegen, zijn ook roofvogels te vinden. Er vloog een buizerd over.

Onderstaande foto heb ik apart geplaatst. Deze foto is zo uit de camera gerold. Er is dus geen fotobewerking uitgevoerd. De camera had kennelijk moeite met de belichting of met de witbalans. Ik vond de foto dusdanig bijzonder dat deze een plekje mag krijgen op mijn weblog.

Een geelgors op Anser Es

Een van de vele mooie fietstochten door Drenthe vind ik de route door Ansen en over de Anser Es.

Op de Anser Es heeft men vele akkers ingezaaid met rogge en insectenvriendelijke bloemen, zoals korenbloemen. Je kunt aan de neergeslagen bloemen wel zien dat er de dag ervoor felle buien met veel neerslag over de akkers is getrokken.

De insecten maakten dankbaar gebruik van de korenbloemen.

Nadat ik een tijdje bij de korenbloemen had gefotografeerd fietste ik verder om te gaan posten op een plek waar ik de vorige keer de geelgors had gezien. Ik ging in de berm zitten en wachtte rustig af. In afwachting van de geelgors maakte ik een foto van voorbijgangers.

En daar zag ik een vogeltje landden in het groen. Een geelgors. Inzoomend zag ik dat het mannetje een bloemetje had meegenomen voor zijn vrouwtje…

Doordat ik geduldig bleef wachten verscheen er nog een aantal keren een geelgors. Iedere keer had de vogel een snavel vol met voedsel.

Bijen en hommels op de bloesem

We blijven nog even bij de bloesem van de fruitbomen in onze tuin. Wij zijn blij met de bijen en hommels die druk bezig zijn met de kruisbestuiving van de bloesem. Aan de vleugels te zien lijkt het erop dat deze hommel al veel vlieguren heeft. Het is vast een overjarige hommel.

 

Behalve de hommels zijn ook de bijen druk met het verzamelen van stuifmeel. Op de foto is het stuifmeelklompje  aan de linker achterpoot te zien.

 

Het is zelfs gelukt om met de Nikon bridgecamera een vliegende bij vast te leggen.

 

De holwortel en de hommel

Vandaag zoomen we in op de holwortel, ook wel kloosterkruid genoemd. De holwortel is een vroege lentebloeier. In maart/april kleurt het landgoed Dickninge rozerood en wit door de bloeiende holwortel. Het groen/blauwig blad bedekt de bodem. De holwortel is een plant uit de papaverfamilie (Papaveraceae). De naam holwortel heeft de plant te danken aan het feit dat de ondergrondse knol van binnen hol is. De botanische naam Corydalis is afgeleid van het Griekse woord korydalis wat kuifleeuwerik betekent. Daarmee een overeenkomst aangevend op de bloem van de holwortel. Cava betekent hol, wat duidt op de holle knol. De holwortel is inheems in Midden-, Oost-, en Zuid-Europa. In Nederland en België is de holwortel aangeplant en verwilderd, mogelijk nog wild aan de uiterste oostgrens van Nederland en elders een kweekplant. Daarom hoort de holwortel ook tot de stinsenplanten.

De spoor van de bloem steekt ongeveer tot 12 millimeter over de bloemsteel uit. In het achterste deel van de spoor zit de honig. Omdat de spoor zo lang is kunnen alleen de insecten erbij met een lange tong of snuit (sachembij, wolzwevers of vlinders) tot achterin het spoor komen. De aardhommel bijvoorbeeld (Bombus terrestris) is te groot voor de nauwe bloem en bijt ter hoogte van de knik, gewoon een gaatje om bij de nectar achterin de spoor te komen. En zo kunnen meerdere bijen (de honingbij o.a.) bij de honing. De bijen die niet in de ´buis´ passen, proberen het eerst wel. Doordat ze landen op de onderste lip buigt deze een beetje door. De meeldraden en de stamper komen vrij en laten stuifmeel op het insect los. Het insect vliegt naar een andere holwortel voor nectar en zorgt zo voor kruisbestuiving. Althans zo hoort het te gaan aldus deze site.

Op de dag dat ik daar aan het fotograferen was, was de temperatuur nog niet hoog. Er vlogen dan ook nauwelijks insecten rond de bloemen van de holwortel. Gelukkig vlogen er een handjevol hommels die ik vervolgens bestookte met mijn macrolens. Ik heb deze keer een wat grotere scherpte/diepte gehanteerd in de hoop ze vliegend vast te kunnen leggen. Dat viel nog niet mee, omdat er bij zoveel bloemetje altijd maar weer afwachten is welke kant ze opvliegen. En zo gebeurde  het dat de hommel al bijna het beeld was uitvlogen voordat ik hem had vastgelegd.

Een aantal keren lukte het toch om ze in vlucht vast te leggen.

Hommels zijn goede bestuivers die ook vliegen bij minder gunstige weersomstandigheden, terwijl honingbijen enkel vliegen bij temperaturen boven de 12°C. Hommels vliegen van zonsopgang tot zonsondergang. Hun hele levenscyclus is afhankelijk van het stuifmeel en nectar uit bloemen voor hun voedsel. Bloemenstuifmeel bevat veel eiwitten en nectar veel suikers. Nectar geeft dan ook aan bijen en hommels energie om te kunnen vliegen. Maar stuifmeel en nectar dienen ook als voedsel voor hun larven. Voor het transport ervan naar het nest, hebben de vrouwtjes aan de achterpoten speciale stuifmeelkorfjes (corbicula), die we ook terugvinden bij de honingbij. De hommels die bij de bloemen van de holwortel rondvlogen hadden geen stuifmeelkorfjes aan hun poten. Hoe dat komt daar kom ik zo op terug.

Er zijn hommelsoorten met middellange of korte tongen, zoals de Aardhommel (Bombus terrestris) en de Weidehommel (Bombus pratorum). Hun tong is ongeveer even lang als die van een honingbij. Om toch bij diepliggende nectar te geraken, gaan ze op roverstocht en breken in in de bloem. Ze bijten een gaatje in de zijkant van de lange kroonbuis en steken daardoor hun tong om zo toch van de nectar te kunnen drinken.

Deze dieventruc is nadelig voor de bloem, want de zoete nectar wordt geroofd zonder dat er bestuiving heeft plaatsgevonden.  “Diefstal na inbraak” noemde de bekende veldbioloog J.P. Thijsse (1865-1945) dit gedrag. En dat verklaart waarom deze hommels geen stuifmeelkorfjes aan de achterpoten hadden. Ze waren bezig met hun dieventruc.

Onderzoekers van de Royal Society B. in Engeland  toonden nu aan dat bijen en hommels het nectarroven van elkaar aanleren en als het ware ‘leren stelen’. De ‘leerling-dieven’ gaan daarna ook zelf gaatjes bijten in de bloemkroon om de nectar te kunnen bemachtigen. Van deze inbraakgaatjes maken ook andere nectarzuigende insecten, zoals zweefvliegen, kevers en vlinders dankbaar gebruik om op een eenvoudige manier aan nectar te kunnen komen. Deze informatie heb ik van deze site van Nature Today.

En tot slot nog een foto van de bosanemoon.