Toen ik na de vakantie de foto’s van mijn camera naar de computer overzette, ontdekte ik dat er ook nog een aantal tussen stonden die ik de dag vóór ons vertrek in onze tuin had gemaakt. Die wil ik eerst graag laten zien.
Op een bedauwde ochtend zat voor ons huis een juveniele groene specht. Waarschijnlijk was dit een jong uit een nest op het perceel naast ons huis. De foto maakte ik vanuit de huiskamer, zodat de specht ongestoord zijn gang kon gaan.
Boven een van de terrassen groeien druivenranken. Het belooft een goed druivenjaar te worden. Deze natuurlijke parasol is deze zomer meer dan welkom; hij zorgt niet alleen voor een heerlijke schaduwplek, maar helpt ook om de warmte uit ons huis te houden.
Ook de imposante walnotenboom van pakweg zeven meter hoog biedt volop schaduw. Bovendien lijkt ook dit een uitstekend walnotenjaar te worden: de boom hangt vol met vruchten.
In een van de bloemenborders bloeit wilde marjolein. Deze plant is een geliefde nectarbron voor veel insecten. Vooral het koevinkje is er bijna voortdurend op te vinden, op zoek naar nectar.
Sinds een paar maanden zien we op het perceel naast ons huis regelmatig een haas foerageren. Vanuit onze woonkamer kunnen we hem vrijwel dagelijks bewonderen. Het lijkt erop dat het geen echte angsthaas is, want ik kan zelfs rustig naar buiten gaan om foto’s te maken. Daarbij stel ik me wel zo onopvallend mogelijk op.
We verbleven op een camping vlak bij het Bargerveen. Het was dan ook vanzelfsprekend dat mijn eerste fietstocht naar dit bijzondere natuurgebied zou zijn. Vanaf het moment dat ik het natuurgebied inreed. was ik helemaal verrukt. Het brede fietspad voerde door een uitgestrekt landschap met prachtige vergezichten, waar rust en ruimte de boventoon voerden. Vooral de vele vennen vond ik prachtig. Het spiegelende water, omringd door heide en veen, gaf het landschap een bijna verstilde sfeer.
Ik stapte af bij een groep wilde lupinen. Hun paarse bloemen vormden een prachtig contrast met het groen van de omgeving. Voor mij horen de lupinen helemaal bij Drenthe.
Het Bargerveen ontstond ongeveer 12.000 jaar geleden als hoogveenlandschap. Eeuwenlang werd het gebied gebruikt voor turfwinning en landbouw, waardoor er nog maar weinig van het oorspronkelijke hoogveen overbleef. Sinds de jaren negentig is het gebied echter op grote schaal hersteld. Dankzij deze natuurontwikkeling is het Bargerveen uitgegroeid tot een van de laatste levende hoogveengebieden van Europa.
Mijn fietstocht schoot niet echt op. Om de haverklap zag ik weer iets dat mijn aandacht trok. Zo kwam ik bij een ven waarin een klein hutje half in het water stond. Later las ik dat dit het Huussie van Uneken is.
Dit eenvoudige veenhutje diende vroeger als schuilplek voor boer Uneken uit Weiteveen tijdens het zware werk in het veen. Door de vernatting van het Bargerveen ten behoeve van het hoogveenherstel staat het tegenwoordig midden in het water. Het scheefgezakte hutje is daardoor uitgegroeid tot een fotogeniek en sfeervol symbool van het vroegere veenleven, waar cultuurhistorie en natuur op een bijzondere manier samenkomen.
Een opvallende plant in het Bargerveen is het veenpluis. Deze plant uit de zeggefamilie groeit vooral in natte hoogvenen en moerassen. In juni en juli tooien de witte, pluizige vruchtpluimen het landschap en lijken ze zachtjes boven het veen te zweven. Het is een van de meest kenmerkende planten van het Bargerveen. Natuurlijk ben ik even door mijn knieën gegaan om er een paar foto’s van te maken.
We zijn weer terug van vakantie. We hebben een heerlijke tijd gehad in Drenthe, aan de rand van het prachtige natuurgebied Bargerveen. Ook het weer werkte volop mee. De komende tijd zal ik regelmatig foto’s laten zien van ons verblijf daar.
Op de eerste ochtend werd ik al vroeg gewekt door het zanggeluid van een wielewaal. De vogel zat in de boomsingel achter onze caravan. Nieuwsgierig sprong ik direct uit bed om deze bijzondere verschijning te zoeken en, als het even kon, op de foto vast te leggen. Ondanks zijn opvallende geel-zwarte verenkleed laat een wielewaal zich echter niet gemakkelijk zien. Tussen het dichte bladerdek was het zoeken naar de spreekwoordelijke speld in een hooiberg.
Terwijl ik met camera en telelens langs de bomen speurde, kwam ik de eigenaresse van de camping tegen. Ook zij was gewapend met camera en telelens en bleek een enthousiaste vogelfotograaf te zijn. Op het schermpje van haar camera liet ze mij een foto zien van een wielewaal die zijn jongen aan het voeren was. Omdat ze op het terrein woont, heeft zij het voorrecht om de eerste wielewalen van het voorjaar vaak al op haar eigen erf te ontdekken.
Bovenstaande foto maakte ik op 13 juli. Op de derde en vierde ochtend stond ik opnieuw vroeg bij de bosrand, maar tevergeefs. Het wielewaalseizoen liep ten einde.
De wielewaal laat zich vooral in juni horen. Vanaf half juli verstomt zijn karakteristieke zang en verdwijnen de vogels vrijwel ongemerkt uit ons land. De meeste wielewalen vertrekken tussen half juli en eind augustus, al wordt heel af en toe begin september nog een laat exemplaar waargenomen.
De winter brengen ze door in tropisch Afrika, voornamelijk in landen ten zuiden van de evenaar, zoals Tanzania, Kenia en Oeganda. Daar vinden ze volop insecten, hun belangrijkste voedselbron.
De bijzondere plek waar Jan mij mee naartoe nam en waarover ik eerder schreef, was het kerkhof van Ald Beets. Het kerkhof heeft een uitzonderlijk lange geschiedenis. Al in de 11e eeuw stond hier de eerste kerk van Beets. Deze aan Sint-Geertruid gewijde kerk verdween in de 19e eeuw, maar het kerkhof bleef behouden.
Op het kerkhof zijn oude grafzerken aanwezig, sommige versierd met familiewapens en sierlijke inscripties. Hoewel er geen volledige begraafregisters van Ald Beets bewaard zijn gebleven, wijzen zowel de adellijke symbolen op de zerken als de historische rol van families als Van Lynden, Boelens en Fockens sterk in hun richting. Deze geslachten waren eeuwenlang landbezitters, bestuurders en kerkfinanciers in Beets en Beetsterzwaag. Daardoor is het zeer aannemelijk dat leden van deze invloedrijke families hier hun laatste rustplaats vonden, ook al kan men dat door het ontbreken van oude administratie niet voor elke persoon met absolute zekerheid vaststellen.
Na de bouw van de Adelskerk in 1885 veranderde het kerkhof langzaam van karakter. De middeleeuwse sfeer maakte plaats voor 19e‑eeuwse grafmonumenten: sobere stenen, soms omringd door gietijzeren hekjes, vaak met de namen van families uit Ald Beets en Beetsterzwaag.
Na de sloop van de Adelskerk in 1984 werd het kerkhof opnieuw het belangrijkste herkenningspunt van Ald Beets. Vier jaar later, in 1988, werd er een nieuwe klokkenstoel geplaatst als herinnering aan de eeuwenlange traditie van de klokken die ooit bij de Gertrudiskerk hoorden.
Een van de graven op dit kerkhof is van Cornelia van Lynden. Zij was een jonge freule uit een adellijke familie uit Beetsterzwaag en overleed in 1880, pas twintig jaar oud, aan tuberculose. Cornelia ligt begraven in het familiegraf Van Lynden.
Cornelia was een kleindochter van Frans Godaert baron van Lynden, die in 1821 Huize Lyndenstein liet bouwen. Samen met haar ouders bracht zij de zomers door op het landgoed. Ze stond bekend om haar betrokkenheid bij de inwoners van Beetsterzwaag en zette zich met veel toewijding in voor zieke en arme kinderen.
Na haar vroege overlijden wilden haar ouders haar idealen laten voortleven. In hun testament bepaalden zij dat Huize Lyndenstein na hun overlijden een kinderziekenhuis moest worden. Die wens leidde uiteindelijk tot de oprichting van de Cornelia-Stichting in 1915. De stichting beheerde het landgoed en maakte de vestiging van een kinderziekenhuis mogelijk.
Vanaf dat moment kreeg Lyndenstein een belangrijke plaats in de gezondheidszorg. Eerst werden er kinderen met tuberculose verpleegd, later kwamen daar poliopatiënten bij en uiteindelijk groeide Lyndenstein uit tot een gespecialiseerd centrum voor revalidatie. Zo leeft de naam van Cornelia van Lynden, ruim een eeuw na haar overlijden, nog altijd voort in de zorg voor kinderen en jongeren. Over Huize Lyndenstein schreef ik in dit bericht.
Met de Joiny kon Jan gemakkelijk langs de buitenrand van het kerkhof rijden. Regelmatig stapte hij even af om een bijzonder detail of een graf van dichterbij te bekijken.
Het was een uitstekend idee van Jan om samen deze bijzondere plek te bezoeken. Het natuurlijke karakter van het kerkhof, met het hoge gras en wilde bloemen, gaf de toch al historische en sfeervolle omgeving een extra dimensie. Juist de combinatie van geschiedenis, rust en natuur maakte dit bezoek zo bijzonder. Het verkeerslawaai van de vlakbij gelegen A7 namen we daarbij graag voor lief; de charme van deze unieke plek overtrof dat ruimschoots.
De laatste fotoseries die ik nog in concept had staan, zijn gemaakt tijdens de prachtige tocht die mijn fotomaatje en ik bijna een maand geleden maakten. Jan reed op de Joiny en ik op de e-bike. Onze route voerde ons door de buitenwijken en de omgeving van Drachten. Hoewel het overwegend bewolkt was en een vest geen overbodige luxe bleek, waren de omstandigheden verder prima.
Later hoorde ik van Jan dat we die dag zo’n 30 kilometer hadden afgelegd. Onderweg stopten we om een foto te maken of we namen regelmatig even plaats op een van de vele bankjes om gezellig bij te praten. Heel veel foto’s heb ik tijdens deze tocht overigens niet gemaakt, maar dat was helemaal prima.
Onderweg naar een bijzondere plek kon ik het niet laten om even te stoppen voor deze foto van een imposante boom. Over die bijzondere bestemming vertel ik later meer.
Op een bepaald moment besloten we, na enig wikken en wegen, toch nog een omweg te maken. Onze bestemming was Beetsterzwaag, waar we een bezoek brachten aan Huize Lyndenstein. Die keuze pakte verrassend uit, want daar ontmoetten we beeldend kunstenaar Floor van der Leun en haar man, die druk bezig waren met de opbouw van hun kunstproject in de Overtuin tegenover Huize Lyndenstein. Over die bijzondere ontmoeting schreef ik eerder al in dit bericht.
Deze keer richten we onze aandacht op Huize Lyndenstein zelf. Dit 19e-eeuwse, neoclassicistische landhuis werd in 1821 gebouwd voor Frans Godaert baron van Lynden. Tegenwoordig is het in gebruik als kantoorpand van Revalidatie Friesland. Vanaf 1915 deed Huize Lyndenstein dienst als kinderziekenhuis. In 1958 werd besloten het ziekenhuis om te vormen tot een revalidatiecentrum voor kinderen. Sinds 1985 worden er ook volwassenen behandeld. Tussen 2002 en 2004 verrees op het terrein een nieuw complex. Meer informatie is te vinden op deze website van Revalidatie Friesland.
In de tuin staan enkele imposante beelden opgesteld: de dierenriembeelden. Na een flinke omzwerving hebben ze sinds mei 2026 weer een plek gekregen in de voortuin van Huize Lyndenstein. Achter deze beelden schuilt een bijzonder verhaal. Wie daar meer over wil weten, kan het uitgebreide verhaal lezen op de website van Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven.
Vandaag neem ik jullie weer mee naar de kijkhut in De Auken. In de kijkhut was ik samen met een andere vogelfotografe. Ze was nog niet zo lang bezig met vogelfotografie en vertelde dat ze haar camera nog beter wilde leren kennen. Meestal is ze te vinden in vogelkijkhut Skiere Goes in het Easterskar (Oosterschar), vlak bij haar woonplaats.
We raakten gezellig aan de praat en hadden leuke gesprekken over vogelfotografie en onze ervaringen in het veld. Daarnaast deelden we ook verhalen over andere dingen die ons in het leven bezighielden. Juist die gesprekken maken een ontmoeting in een vogelkijkhut bijzonder.
Aan de overkant van de plas bevinden zich talrijke broedkolonies. De oudervogels vliegen af en aan om hun jongen van voedsel te voorzien. We genoten allebei van de vogels die regelmatig langs de kijkhut vlogen.
In het onderstaande vierluik is op de eerste drie foto’s de koereiger te zien. Op de vierde foto staat de grote zilverreiger, die duidelijk groter is dan de koereiger.
Mijn favoriet blijft toch wel de purperreiger. Het is een sierlijke reiger met een prachtige tekening en warme kleuren, waardoor hij voor mij de mooiste reiger is om te zien.
Toen ik vanuit kijkhut De Meenthebrug een fotoserie maakte van een foeragerende kwikstaart, kreeg ik na enige tijd gezelschap van een andere vogelfotograaf. Hij vertelde dat hij zojuist bij kijkhut De Auken was geweest, waar het druk was met grote vogels die regelmatig overvlogen. Ik was al van plan die kant op te gaan, maar nu wist ik het zeker. Eerst reed ik echter even naar huis voor een kopje koffie en om mijn laarzen op te halen. Volgens de fotograaf stonden er door de hevige regenval van een paar dagen eerder flinke plassen op de paden en laarzen waren geen overbodige luxe.
De kleine parkeerplaats bij De Auken was volledig bezet, daarom parkeerde ik de auto iets verderop, op een plek met uitzicht over dit water.
Via het bruggetje wandelde ik natuurgebied De Wieden in.
Onderweg naar de kijkhut maakte ik foto’s van een dagpauwoog, zowel met gesloten als met open vleugels. Ook een krasser liet zich onderweg nog even fotograferen.
Op sommige delen van het pad stonden inderdaad flinke plassen, dus mijn laarzen kwamen goed van pas. Het laatste stuk van de route was grotendeels dichtgegroeid. Omdat het een warme ochtend was, had ik een korte broek aangetrokken. Daardoor was het voortdurend opletten voor brandnetels en distels. Terwijl ik tussen de stekelige planten laveerde, vroeg ik me af of Natuurmonumenten soms een ontmoedigingsbeleid voerde…
Vanuit de kijkhut heb je een prachtig uitzicht over het water, met aan de overkant verschillende broedkolonies. Hier broeden o.a. aalscholvers, blauwe reigers, grote zilverreigers, koereigers, lepelaars en purperreigers. Helaas waren deze vogels voor mijn lens te ver weg om ze mooi in beeld te brengen. Daarom richtte ik mijn aandacht op de vogels die langs de kijkhut vlogen. Die fotoserie volgt de volgende keer.
Toen ik in de kijkhut aankwam, waren er al twee mannen en een vrouw aanwezig. De mannen waren samen op pad om vogelwaarnemingen te noteren. Kort na mijn komst vertrokken zij weer, waardoor de vrouw en ik de hut voor ons alleen hadden. We hadden alle ruimte en raakten gezellig aan de praat.
Op een gegeven moment riep een man ons vanaf beneden toe dat we niet moesten schrikken, omdat ze het pad gingen maaien. Dat ging gepaard met flink wat lawaai. Het was netjes dat hij ons vooraf even waarschuwde.
Toen de mannen klaar waren met maaien, wandelde ik terug naar de auto. Ze hadden goed werk geleverd, want dat deel van het pad was zeker een meter breder geworden.
In het boompje voor kijkhut de Meenthebrug zat een vogel met een opvallend lange staart. Mijn eerste gedachte was dat het een kwikstaart moest zijn, maar de kleuren kwamen niet overeen met die van een volwassen vogel. Al snel vermoedde ik dat het om een juveniele kwikstaart ging.
Juveniele kwikstaarten hebben een bruin-grijze kop en borst. Ze missen de kenmerkende zwarte kopkap van volwassen vogels. Ook is hun gezicht valer en minder contrastrijk, met weinig wit op de kop.
Een witte kwikstaart jaagt boven bladeren van de waterlelie en gele plomp door deze als platform te gebruiken. Schokkerig rent en springt hij van blad naar blad, pikt insecten van het oppervlak en maakt soms korte vluchtjes om vliegende prooien te vangen. Omdat de bladeren veel kleine insecten aantrekken, vormen ze een ideale jachtplek voor de kwikstaart.
Het boompje diende als rustpunt om het verenkleed weer op orde te brengen.
Na de mooie wandeling waarbij ik verschillende insectenfotografeerde arriveerde ik bij kijkhut de Meenthebrug. Ik hoopte daar opnieuw een ringslang te zien, maar vooral ook een ijsvogel.
Nadat ik een tijd had uitgekeken over de plas moest ik concluderen dat geen van beide zich liet zien. Daarom richtte ik mijn camera op een paar grauwe ganzen. Het leek alsof de ganzen óp het water stonden, maar schijn bedriegt. Ze stonden waarschijnlijk op stukken kienhout net onder het wateroppervlak. Het windstille weer zorgde bovendien voor een mooie weerspiegeling.
Ook viel het me op dat meerdere grauwe ganzen op kienhout zaten te kauwen. Hoewel het misschien lijkt alsof ze het hout proberen op te eten, is dat niet het geval. Dit gedrag heeft een functie: het helpt bij het onderhouden van de snavel, het verkennen van mogelijk voedsel en soms ook bij het verwerken van plantaardig materiaal in de spiermaag.
Een van de ganzen nam uitgebreid een bad.
In de verte gingen grauwe ganzen op de vleugels. Wat hen deed opschrikken heb ik niet kunnen achterhalen.
Eerder fotografeerde ik bij kijkhut De Meenthebrug een ringslang en een ijsvogel. Dat smaakte naar meer, dus besloot ik nog eens die kant op te gaan.
Langs het pad stonden volop bloemen in bloei, waaronder korenbloemen, distels en verschillende schermbloemigen. Alleen al de kleurrijke berm maakte de wandeling meer dan de moeite waard.
Het was prachtig om te zien hoe de insecten zich tegoed deden aan de nectar en het stuifmeel van de bloemen. Dat leverde mooie fotomomenten op.
Zo kon ik een blinde bij en een juffer vastleggen. Een atalanta liet zich wel zien, maar wilde me niet dichterbij laten komen. Een klein geaderd witje wist ik tussen de grassprieten door te fotograferen. Het bruin zandoogje werkte juist goed, waardoor ik tijd had om er een foto van te maken.