In vogelkijkhut Meenthebrug zat ik geduldig te wachten, in de hoop een ijsvogel voor de lens te krijgen. Mijn blik dwaalde over de rustige plas, toen ineens een subtiele rimpeling het gladde wateroppervlak verstoorde. Even dacht ik aan een vis, maar al snel verscheen de echte veroorzaker: een ringslang die geruisloos en sierlijk door het water gleed.


De kleine ringslang gleed behoedzaam op een blad van de gele plomp. Als koudbloedig dier is een ringslang afhankelijk van de warmte uit zijn omgeving. Zo’n drijvend blad vormt een ideale plek om op te warmen. Tegelijkertijd biedt het een uitstekend uitzicht op mogelijke prooien én een snelle vluchtroute als er gevaar dreigt. Aan de grootte van de bladeren van de gele plomp is goed te zien hoe klein deze jonge slang nog was.


De ringslang was voortdurend met zijn tong in de weer. De tong van de slang heeft een andere functie dan die van de mens. Bij iedere tongbeweging vangt de slang geurdeeltjes op uit de lucht. Die worden vervolgens doorgegeven aan het orgaan van Jacobson in het gehemelte, waar de geuren worden geanalyseerd. Zo kan de ringslang prooien opsporen, gevaar herkennen en zelfs bepalen uit welke richting een geurspoor afkomstig is. De gespleten tong werkt daarbij als een soort ‘stereo’. Door links en rechts geurdeeltjes te vergelijken, kan de ringslang precies bepalen uit welke richting een geur komt.






Wordt vervolgd.






























































































