Een paar weken geleden maakte ik samen met mijn fotomaatje Jan een prachtige tocht in zijn omgeving. Jan reed op zijn nieuwe Joiny en ik op de e-bike. Het weer kon niet mooier zijn: niet te warm, niet te koud en met mooie wolkenpartijen. De natuur was frisgroen en de stemming opperbest.
In Wagejot op Texel bevindt zich een grote broedkolonie van grote sterns.
De sterns vliegen voortdurend af en aan om voedsel te halen voor hun broedende wederhelft en wellicht ook voor de Jongen. Tussendoor nemen ze een verfrissende duik in het omliggende water om hun verenkleed schoon te spoelen, want het leven in een drukke kolonie maakt ze nogal vies.
Een eindje verderop maakte ik een stop bij de IJsdijk, waar een lepelaar aan het foerageren was.
Een lepelaar zien is tegenwoordig geen zeldzaamheid meer, maar ik blijf het een fascinerende vogel vinden. Met zijn brede snavel zwaait hij voortdurend heen en weer door het water op zoek naar voedsel. Zodra hij iets te pakken heeft, verdwijnt het met een sierlijke beweging in zijn keelgat.”
We gaan weer terug naar De Tuintjes op Texel. Ik hoopte daar de zeldzame tapuit te zien en te fotograferen.
In de duinen van De Tuintjes leven konijnen, en in de verlaten konijnenholen broedt de tapuit graag. Het duurde dan ook niet lang voordat ik de eerste konijnen had gespot. Vooral de jonge konijntjes zijn schattig om te zien.
Maar daarmee had ik de tapuit nog niet gespot. De tapuit is een schuwe soort die vaak vanaf een duintop of paaltje de omgeving afspeurt. Daardoor moet je soms flink wat geduld hebben voordat hij zich laat zien. Met mijn verrekijker speurde ik de duinen af, op zoek naar deze vogel.
Ik ben er tijdens twee sessies urenlang geweest. Daarbij had ik geluk: tot tweemaal toe poseerde een tapuit langere tijd voor mijn camera…
Deze serie in De Tuintjes sluit ik af met een dreigende lucht, die ik aan het eind van mijn tweede bezoek zag opkomen. Ik heb daarbij zelf nog een paar regendruppels gevoeld.
In de avond vielen zonnestralen op het voederplekje. Vanuit de woonkamer maakte ik een foto, terwijl het licht prachtig door de fragiele vleugels scheen.
De vetbollen vinden gretig aftrek. Toch ben ik me gaan verdiepen in de vraag of het verstandig is om op dit moment nog met vetbollen bij te voeren. Daarbij las ik dat vetbollen bij warm weer snel kunnen bederven en ranzig worden, wat schadelijk kan zijn voor de vogels.
Je zou denken dat de vogels dat zelf wel kunnen inschatten, maar ze lijken soms toch voor de makkelijke weg te kiezen. In de natuur is er immers ook voedsel te vinden, al vraagt dat vaak meer moeite. Ik las daarnaast dat meelwormen een waardevolle aanvulling zijn, en dat bloeiende bloemen in de tuin belangrijk zijn omdat ze insecten aantrekken.
Uiteindelijk heb ik een nieuw setje voedersystemen aangeschaft, waaronder een voedersilo voor meelwormen. De vogeltjes moesten er eerst een paar uurtjes aan wennen, maar daarna wisten ze het voerplekje weer te vinden.
Er vliegen jonge koolmezen in onze tuin. Volgens mij zijn het er vijf. Op de onderstaande foto durft het jong nog niet zelf in de pindakaaspot te duiken; dat doet de ouder nog voor hem. De foto is niet helemaal scherp, maar ik vond het wel mooi om het speekseldraad te zien tijdens het voeren.
Nog niet alle jongen durven zelf bij de voedersilo’s te komen; ze worden nog in de boom gevoerd door een ouder. Ze laten zich graag voeren en wachten geduldig tot ze aan de beurt zijn.
Het jong heeft een zachtere, gelige kleur en een donkerbruine pet die later nog zwart zal worden. Ook de snavel is nog wat breder, een overblijfsel uit de nesttijd, toen ze hun snavel wijd opensperden om zoveel mogelijk voedsel binnen te krijgen.
Voor sommige jongen is de verleiding groot om het zelf te proberen. Ze staan of hangen er weifelend boven, alsof ze nog niet helemaal durven, maar het wel graag willen proberen.
De wat meer bijdehante jongen durven al wel zelf het voedsel te pakken.
Een specht en de jongen bezoeken regelmatig onze tuin om voedsel te halen. Een van zijn vaste plekjes is de stam van de perenboom in onze voortuin. Aan de stam hangt een bakje met walnoten van onze eigen walnotenboom. De specht legt een walnoot in de ingegroeide noest om hem vervolgens daar open te hakken en op te eten.
Verder smult de specht van de vogelpindakaas met meelwormen. Ook had hij zijn oog laten vallen op de vetbollen, al leek hij daar in eerste instantie nog wat aarzelend over. Uiteindelijk werd de verleiding te groot en hing hij aan de vetbolhouder om ervan te eten. Daarbij moest hij de nodige acrobatische toeren uithalen om goed bij de bollen te kunnen komen. Een mus die dacht gezellig aan te kunnen schuiven, werd direct weggejaagd.
De vetbollen zijn overigens nu verwijderd, wat de reden is vertel ik de volgende keer.
Op tweede pinksterdag was de helft van het gezelschap alweer vertrokken. Het was erg gezellig dat onze zoon de rest van de midweek nog bij ons bleef. Met z’n drieën gingen we naar het strand bij de vuurtoren, in de hoop zeehonden te zien.
De rust was inmiddels teruggekeerd op Texel. De drukte van het pinksterweekend was voorbij en de stranden lagen er vrijwel verlaten bij.
Mijn aandacht werd getrokken door een hond die enthousiast over het strand rende. De eigenaren liepen ongeveer gelijk met mij op. Ik complimenteerde hen met hun prachtige hond en even later voegde ook onze zoon zich bij ons. De hond was niet alleen vriendelijk tegen zijn baasjes, maar ook naar ons toe. Het was een Toller.
De Nova Scotia Duck Tolling Retriever, kortweg Toller, is een energiek en intelligent hondenras met een opvallend vosachtig uiterlijk. Het is de kleinste van alle retrievers en afkomstig uit de Canadese provincie Nova Scotia. Het ras werd gefokt voor de eendenjacht. Door speels langs de waterkant te rennen, lokten de honden nieuwsgierige eenden dichterbij. Deze bijzondere jachttechniek staat bekend als tolling. Tollers zijn leergierig en actief en hebben dagelijks veel beweging en uitdaging nodig. Ze zijn doorgaans vriendelijk, hechten zich sterk aan hun gezin en kunnen daardoor moeite hebben met langdurig alleen zijn. Een bijzonder kenmerk is de zogenaamde ‘Toller-scream’: een hoog, schel geluid dat sommige Tollers laten horen wanneer ze erg enthousiast zijn.
Na deze mooie ontmoeting wandelden de mannen nog een eindje verder langs de vloedlijn. Zelf bleef ik op dezelfde plek staan om een aantal foto’s te maken van de langsscherende grote sterns.
De grote stern leeft voornamelijk van kleine vissoorten, zoals zandspiering, haring, sprot en spiering. Tijdens het jagen speurt hij vanuit de lucht het wateroppervlak af naar prooien. Daarbij maakt hij graag gebruik van stromingsrijke plekken waar veel vis aanwezig is. Ook keert hij vaak terug naar bekende foerageergebieden en let hij op het gedrag van soortgenoten om geschikte jachtlocaties te vinden.
Even later voegden de mannen zich weer bij mij. Onze zoon was zo lief om mijn trolley door het mulle zand mee te trekken naar de parkeerplaats.
Terwijl de overige gezinsleden nog lagen te slapen was ik al om 6 uur in De Tuintjes.
De naam De Tuintjes bij de vuurtoren op Texel verwijst naar de moestuinen van de vroegere vuurtorenwachters. Deze kleine akkertjes lagen langs het pad naar de vuurtoren in de Eierlandse Duinen. Vuurtorenwachters verbouwden er groente om zelfvoorzienend te zijn, en om de gewassen tegen de harde zeewind te beschermen werden er struiken omheen geplant.De naam De Tuintjes is blijven bestaan, ook lang nadat de moestuinen verdwenen waren.
In deze duinen broeden tapuiten graag in verlaten konijnenholen. Juist daarom ging ik er in de vroege ochtend naartoe, in de hoop deze karakteristieke duinvogel te zien en misschien zelfs te kunnen fotograferen. De tapuit is een schuwe soort die vaak vanaf een duintop of paaltje de omgeving afspeurt, waardoor je soms geduld moet hebben voordat hij zich laat zien. Ik speurde met de verrekijker de duinen af of ik de tapuit zag.
In de bosschage op onderstaande foto zat een nachtegaal uit volle borst te zingen. Ik heb daar lange tijd staan genieten van zijn prachtige zang. Te zien kreeg ik hem echter niet. Zeker in deze tijd van het jaar, wanneer de bomen en struiken volop in blad staan, is de kans op een waarneming klein. Gelukkig maakte zijn indrukwekkende zang dat ruimschoots goed.
Gelukkig kreeg ik wel andere vogels te zien, en die lieten zich bovendien fotograferen. Zo kwamen onder andere de fitis, een groenling, een grasmus, een en meneer en mevrouw fazant voor mijn lens.
De grasmus en de braamsluiper uit elkaar houden vind ik in het veld nog best lastig. Ook thuis achter de computer lukt dat niet zonder de hulp van ObsIdentify. Zie ik een vogeltje tussen de bramen zitten, dan denk ik al snel dat het een braamsluiper is, terwijl het vervolgens een grasmus blijkt te zijn. Onlangs bekeek ik deze video waarin werd uitgelegd hoe je deze twee soorten aan hun zang kunt onderscheiden. De ene heeft een meer zigzaggende zang, terwijl de andere juist een meer herhalend riedeltje laat horen. En nu nog onthouden welke soort bij welke zang hoort…
Iets verderop had ik opnieuw geluk. Tot twee keer toe streek er dichtbij een blauwborst neer en deze begon uit volle borst te zingen. Ook een mannetje en vrouwtje kneu lieten zich zien.
Ik maakte ook nog een wandeling aan de andere kant van de weg, door het Renvogelveld richting het kijkscherm. Onderweg hoorde ik een uitbundige zang die direct mijn aandacht trok. Volgens Merlin was de zanger een bosrietzanger. Een gewone rietzanger kan al indrukwekkend zingen, maar het repertoire van de bosrietzanger gaat daar nog een flinke stap overheen. Met zijn gevarieerde zang, vol imitaties van andere vogelsoorten, wist hij mij lange tijd te boeien. De bosrietzanger liet zich heel even zien toen hij van de ene naar de andere verborgen tak vloog, maar helaas niet lang genoeg om hem op de foto vast te leggen.
Bij het kijkscherm werd mijn aandacht vervolgens getrokken door een winterkoninkje dat luidkeels zijn territorium bezong. Het blijft verbazingwekkend hoeveel volume er uit zo’n klein vogeltje kan komen.
Deze serie uit De Tuintjes sluit ik af met misschien niet de mooiste foto’s, maar wel met een vogel die op de Rode Lijst staat…
Al geruime tijd hadden we geen eekhoorn meer in onze tuin gezien. Daarom was het een leuke verrassing toen er deze week ineens weer eentje opdook. Hij zat in de voortuin, tegen de stam van de perenboom.
Dat was niet zomaar een willekeurig plekje; aan de stam hangt namelijk een voederbakje, gevuld met walnoten van onze eigen walnotenboom. De eekhoorn weet dat blijkbaar feilloos te vinden. Overigens maakt niet alleen hij gebruik van deze lekkernij. Ook spechten komen graag op de walnoten af en zodra een noot is gekraakt, verschijnen er vaak kleinere vogels die de achtergebleven kruimeltjes oppikken.
Bovenstaande foto’s maakte ik vanuit de woonkamer. Omdat de eekhoorn lange tijd boven op het nestkastje bleef zitten, besloot ik de gok te wagen en naar buiten te gaan om daar foto’s te maken. Heel voorzichtig sloop ik achter de auto’s langs en vond, achter de coniferenhaag van de buren, een mooi plekje om me verdekt op te stellen.
Inmiddels was er een tweede eekhoorn verschenen. Misschien was dat wel de reden dat de walnoten niet direct werden opgegeten. In plaats daarvan begon de eekhoorn zijn buit te verstoppen, zoals hier in het gras.
En daar ging de eekhoorn weer naar boven om de volgende walnoot op te halen. Later vertelde mijn man dat hij het bakje had bijgevuld met vijf walnoten. Vervolgens was hij er getuige van hoe de eekhoorn alle vijf de noten op verschillende plekken in onze tuin verstopte.
Na de zonsondergang bij Paal 17 reden de kinderen nog even naar De Staart in Waalenburg. Een jaar eerder hadden ze daar prachtige foto’s kunnen maken met een vuurrode avondlucht. Wij, de wat oudere garde, vonden het wel mooi geweest en keerden terug naar de vakantiewoning. Niet veel later verscheen er via de app een foto van een lepelaar die in een rode gloed stond te foerageren. Op dat moment had ik er al spijt van dat ik niet was meegegaan.
Een avond later reed ik zelf naar Waalenburg, in de hoop ook zo’n bijzonder moment mee te kunnen maken.
Het werd inmiddels al behoorlijk donker, waardoor de ISO-waarde flink omhoog moest. Toch slaagde ik erin om de rustende lepelaar, die hierboven op de tweede foto in de verte te zien is, vast te leggen.
Nadat de lepelaar voldoende had gerust, ging hij weer verder met foerageren. Ik had het geluk dat hij dit deed in een sloot waar de ondergaande zon een prachtige rode gloed over het water legde.
Persoonlijk vind ik dat een mobiele telefoon vaak moeite heeft om de kleuren van een zonsondergang goed vast te leggen. Voor zulke momenten leent een spiegelreflexcamera zich beter; de kleuren en het licht komen er natuurlijker uit.
Deze keer kozen we voor het strand bij Paal 17. We waren nog net op tijd: de zon stond nog maar net boven de horizon.
De jeugd maakte meteen van de gelegenheid gebruik om een fotoshoot te doen. Daar heb ik met mijn camera natuurlijk ook dankbaar gebruik van gemaakt. Onze zoon, inmiddels 28 jaar oud, moest nog wel even door zijn moeder worden gewezen op zijn verkeerd dichtgeknoopte blouse. 😉
De fotoshoot ging gepaard met veel gelach en plezier. Het was mooi om te zien hoe goed onze dochter, schoonzoon en zoon met elkaar kunnen opschieten. Zulke momenten maken zo’n moment extra bijzonder.