Vanaf natuurbegraafplaats Heidewold reed ik naar het naastgelegen landgoed De Eese. Ik wandelde over de paden die bedekt zijn met puin. Ooit werd ik door een oudere kennis gewezen op de herkomst van dit puin. Het is namelijk afkomstig van de bombardementen op Rotterdam in het begin van de Tweede Wereldoorlog.
Toen ik dit blogbericht aan het voorbereiden was, ging ik op internet op zoek naar meer informatie. Daarbij ontdekte ik iets wat ik tot voor kort niet wist: tijdens de Tweede Wereldoorlog was er een munitiedepot aanwezig op De Eese en het puin werd gebruikt voor de aanleg van wegen naar dat munitiedepot.
Het munitiedepot werd door de Duitse bezetter ingericht voor de Fliegerhorst Havelte, het Duitse militaire vliegveld dat vanaf 1942 werd aangelegd tussen Havelte en Wapserveen. Het depot lag verscholen in de bossen van De Eese, waar de munitie onder de beschutting van de bomen werd opgeslagen.
Aan het einde van de oorlog bliezen de Duitsers het depot op. Daarbij werd een grote hoeveelheid munitie over het bosgebied verspreid. Nog tientallen jaren later werden er resten van munitie in de bodem aangetroffen. Uit onderzoek in 2016 en 2017 bleek zelfs dat er meer explosieven aanwezig waren dan aanvankelijk werd verwacht. Ook werden restanten van bunkers teruggevonden.
In dit filmpje op YouTube vertelt Jacob Veenman hoe hij als veertienjarige jongen betrokken was bij het vervoer van bommen naar het munitiedepot. Hij spreekt daarbij in het Nedersaksisch. Helaas klopt de automatische ondertiteling niet altijd.
Ik sloot mijn wandeling af met een vredig rondje langs de grafheuvels. Op landgoed De Eese, tussen Eesveen en De Bult, liggen acht grafheuvels die dateren uit de prehistorie. Ze behoren tot de oudste zichtbare sporen van menselijke bewoning in de omgeving van Steenwijk.
Al jaren heb ik de wens om op een natuurbegraafplaats begraven te worden. Mijn bezwaar was echter dat er geen natuurbegraafplaats bij ons in de buurt was. Ik ben toch wel zo streekgebonden dat ik graag in mijn eigen omgeving begraven wil worden. Sinds kort is er een natuurbegraafplaats, genaamd Heidewold op nog geen drie kilometer van ons huis. Zie Google Maps. Voor mij is dit de ideale plek voor mijn laatste rustplaats.
Mijn man had niet echt een voorkeur voor een plek waar hij begraven wilde worden. Maar nu Heidewold er is en hij er regelmatig langsfietst, heeft ook hij de wens om daar begraven te worden. Als we er met anderen over praten, ontdekken we dat er meer familieleden en vrienden zijn die hetzelfde idee hebben.
Begraven worden in de natuur spreekt mij aan, net als de eeuwigdurende grafrust. Ik heb nog geen specifiek plekje uitgezocht, maar mijn voorkeur gaat uit naar een open plek, op een kruidenakker en eventueel in de buurt van een ven.
De natuur en het behoud daarvan vind ik belangrijk. Het lijkt me mooi als mijn laatste rustplaats deel uitmaakt van een natuurlijke omgeving, waar bloemen groeien, insecten hun voedsel vinden en vogels fluiten en nestelen.
Daarnaast spreekt het eenmalige tarief mij aan. Er zijn geen terugkerende kosten en mijn nabestaanden hoeven zich geen zorgen te maken over het onderhoud van een graf. Alles wat bij de begrafenis wordt gebruikt, moet van afbreekbaar materiaal zijn, zodat het lichaam onbelemmerd kan terugkeren tot de aarde. Het idee dat ik na mijn leven weer onderdeel word van de natuur, geeft me een goed gevoel.
Natuurbegraven is ook nog eens de meest duurzame oplossing ten opzichte van resomeren, cremeren en traditioneel begraven.
Dat we in de omgeving van Sint Jansklooster toerden, kwam door een voorstel van Jan. Hij wilde weleens weten hoe het stond met de verbouwing van Café De Moespot. Ons plan was om daar ook een kopje koffie te drinken. De vorige keer dat we er waren, schreef ik daarover in januari van dit jaar in dit bericht.
Het historische café is al eeuwenlang een begrip in de Kop van Overijssel. De naam verwijst naar een herberg waar reizigers vroeger een warme maaltijd, een ‘moespot’, konden krijgen. Al in de zestiende eeuw was er op deze plek sprake van een pleisterplaats aan een belangrijke route. Volgens de overlevering beschikte De Moespot over een luikje waardoor koetsiers eten konden aannemen zonder van hun koets af te stappen. Daarom wordt het café soms omschreven als de oudste drive-through ter wereld. Het bijzondere luikje is nog altijd aanwezig.
In de voormalige paarden- en koeienstal van het historische Café De Moespot hebben de broers Raimon en Peter Ian Pot een gloednieuw, modern en sfeervol restaurant gerealiseerd. De keuken en de chef’s table bevinden zich in de voormalige stal. Het restaurantgedeelte is ondergebracht in de aangebouwde, lichte serre. Vanuit het restaurant heb je een prachtig uitzicht over de dijk en het Vollenhovermeer, dat vroeger deel uitmaakte van de Zuiderzee. Zie ook de website van Robuust.
Het restaurant was gesloten voor publiek, omdat er voorbereidingen werden getroffen voor een besloten diner later die dag. We moesten dus op zoek naar een andere plek om een kopje koffie te drinken, maar daar had ik al een ideetje over. Voor we verdergingen, wierpen we nog een laatste blik op het huisje tegenover Robuust. Wat een contrast met het moderne restaurant!
We reden over de dijk naar Blokzijl. Daar parkeerde ik de auto naast de havenkolk. Dit blijft een heerlijk plekje om te fotograferen. Met de historische schepen in de haven en de authentieke herenhuizen op de achtergrond valt er altijd wel iets moois vast te leggen.
Aan de havenkolk staat het monumentale Prins Mauritshuis. Het pand werd in 1873 gebouwd als weeshuis en bood tot 1928 onderdak aan de wezen van de stad. Boven de ingang herinnert een gevelsteen met de tekst ‘Uit liefde door liefde tot liefde’ nog altijd aan de oorspronkelijke bestemming van het gebouw. Nadat het zijn functie als weeshuis had verloren, kreeg het pand verschillende bestemmingen. Tegenwoordig is het Prins Mauritshuis een sfeervol restaurant en grand café. Wij kozen een plekje bij het raam in de serre, met een prachtig uitzicht over de havenkolk. De koffie met wat lekkers was origineel en smaakte overheerlijk.
Vanaf Blokzijl reden we naar mijn huis. Daar schoof mijn man gezellig bij ons aan en praatten we nog na over onze belevenissen van die dag. We hadden weer heel wat gezien en gefotografeerd. We konden terugkijken op een geslaagde fotodag!
Vandaag gaan we terug naar de fotokuier die Jan en ik half september maakten in de omgeving van Sint Jansklooster. We parkeerden de auto bij de Nederlands Gereformeerde Kerk in Kadoelen. Ter plekke konden we overigens niet achterhalen om welke kerk het ging, want we zagen geen bordje met de naam van de kerk en de tijden van de kerkdiensten.
Het uiterlijk van de kerk kenmerkt zich door soberheid. Inclusief alle bijgebouwen is het een groot complex met veel leden. In een gemeenschap als Kadoelen, waar de gereformeerde traditie altijd sterk is geweest, worden de kerkdiensten vaak goed bezocht. Via deze website kunnen we een kijkje nemen in de kerk. Daar is ook het bijzondere orgel te zien, dat in 1829 werd gebouwd door de firma Thomas. Oorspronkelijk stond het in Exeter (Engeland). In 1998 werd het orgel in deze kerk geplaatst.
Tegenover de parkeerplaats staat deze vervallen boerderij. Op Google Maps is via Street View te zien dat de boerderij er niet anders bij staat dan toen wij er waren. Jan durfde het aan om van dichtbij detailfoto’s te maken. Ik bleef op straat staan. De mooie fotoserie van Jan is in dit bericht te bekijken.
Vervolgens reden we verder en kwamen we uit bij de Monnikenmolen. De fotoserie die ik daar maakte, heb ik in dit bericht laten zien. Ons volgende doel was het Bezoekerscentrum De Wieden. Iedere keer ben ik weer verrast door de prachtige bloementuin en de leuke details die daar te ontdekken zijn.
Op het terrein staat een klein restaurantje. Meestal neem ik daar een cappuccino met wat lekkers, maar deze keer hadden we andere plannen.
Iets verderop waren mannen in opdracht van Natuurmonumenten bezig met het zomermaaien. Voor het behoud van de unieke natuur in De Wieden is dit maaien onmisbaar. Door het gras en andere begroeiing te maaien en het maaisel af te voeren, blijft de bodem voedselarm. Hierdoor krijgen bijzondere planten de kans om te groeien. Tegelijkertijd wordt voorkomen dat rietlanden en hooilanden langzaam veranderen in struikgewas en bos. Zo blijven de karakteristieke laagveenmoerassen, met hun rijke planten- en dierenleven, behouden voor de toekomst.
Zaterdag vierden Jan en ik een bijzonder jubileum: we gaan namelijk al twintig jaar samen op stap om te fotograferen. Ter gelegenheid van ons jubileum kreeg ik van Jan een prachtige legpuzzel met ijsvogels. Een cadeau dat helemaal past bij mijn voorliefde voor ijsvogels.
Aafje had gezorgd voor wat lekkers bij de koffie, dus we begonnen gezellig met z’n drieën aan deze jubileumdag. Na de koffie was het tijd om op pad te gaan. Jan stapte op de Joiny en ik op mijn e-bike. Tenminste, dat was de bedoeling. Op het moment dat ik de trapper ronddraaide, ontdekte ik dat de ketting eraf lag. Dat begon dus al goed! Gelukkig mocht ik de fiets van Aafje lenen. Zo konden we uiteindelijk toch samen op pad.
Onderweg blikten we meerdere keren terug op die twintig jaar samen fotograferen. Wat hebben we in die jaren veel met elkaar beleefd en mooie plekken ontdekt. ‘Weet je nog, toen en toen?’ Ook memoreerden we de lessen in Photoshop die ik in de eerste periode van Jan kreeg. Ik heb in die jaren heel veel van hem geleerd en dat is zeker een compliment waard. En laat ik nu tijdens onze tocht toevallig een foto hebben gemaakt van een mooie en toepasselijke tekst. Voor de niet-Friestaligen heb ik de tekst ook in het Nederlands geplaatst.
Een compliment is een zaadje, het laat los, vliegt uit en groeit en komt vaak goed terecht bij degene die er juist niet al te veel van groeit
Via Opeinde en Oudega kwamen we uit bij de nieuwe uitkijktoren De Wynwachter aan de Mûntsegroppe. Vanaf de toren is goed te zien hoe het landschap zich ontwikkelt. Waar nu nog graafmachines aan het werk zijn, ligt over enkele jaren een uitgestrekt nieuw meer aan de voet van de toren.
We vervolgden onze rit richting de Jan Durkspolder. Aan het einde van de Geau stelde Jan voor om nog een extra rondje ten zuiden van Earnewâld te maken. Daar maakten we een stop bij een weiland waar enkele landgeiten stonden te grazen en herkauwen. In het aangrenzende weiland liepen een aantal paarden met hun veulens.
Een meisje met prachtig donkerrood haar had duidelijk een zwak voor de paarden. Vol aandacht stond ze een van de dieren te aaien, terwijl het paard haar aanrakingen geduldig en zichtbaar op haar gemak toeliet.
Na het bovenstaand rondje gingen we op de Geau nu linksaf. We reden langs het water en uitkijktoren Romsicht. Zie Google Maps.
Bij de Hooidammen staken we met het pontje over. Het mooie weer had veel mensen naar buiten gelokt, waardoor het gezellig druk was. Ook de zeilschool bij De Veenhoop draaide nog op volle toeren, getuige de vele zeilboten die op het water te zien waren.
Bij de picknicktafel naast molen Herkules maakten we nog een korte stop voordat we huiswaarts zouden keren. Althans, dat dachten we op dat moment. Pas later bleek dat dit niet onze laatste stop tijdens de rit was…
Sinds Jan in het bezit is van een Joiny had hij nog niet eerder zo’n lange rit gemaakt. Toen we Smalle Ee naderden, wierp hij een blik op de kilometerteller van zijn Joiny. Ik vroeg hem of het goed zou komen met de accu en de resterende afstand. Jan maakte zich geen zorgen; de teller stond op 42 kilometer en naar huis was het nog ongeveer vijf kilometer. Volgens de documentatie heeft een Joiny immers een actieradius van 50 tot 60 kilometer.
Twee kilometer later begon de snelheid echter langzaam af te nemen. Niet veel verder verdween alle ‘paardenkracht’ uit de Joiny en kwam hij tot stilstand. We stonden stil vlakbij een woonboerderij. De bewoners stonden op de oprit te praten en we legden onze situatie uit. We troffen het enorm, want zij beschikten over een bus met oprijplaten. De Joiny werd in de bus geduwd en Jan werd keurig thuisgebracht.
Terwijl de mannen vertrokken, bleef ik nog even gezellig napraten met de vrouw des huizes. Tijdens ons gesprek ontdekten we dat we allebei verpleegkundige zijn. De wereld is soms klein. Niet veel later stapte ik weer op de fiets en arriveerde ik bij Aafje en Jan thuis, waar het avontuur met een onverwachte maar goede afloop werd afgesloten.
Ondanks een defecte fietsketting en een lege Joiny-accu was het een dag met een gouden randje, zoals mijn moeder altijd zei wanneer ze had genoten van een mooie dag of een geslaagd uitstapje. Terwijl we terugkeken op alle belevenissen, zeiden Jan en ik tegen elkaar dat we maar niet twintig jaar vooruit gaan kijken. Laten we eerst maar afwachten wat het komende jaar ons brengt, met hopelijk vele genietmomenten in de natuur en met mooie fotokansen.Zie ook het weblog van Jan over deze dag.
Een tijdje geleden maakten Jan en ik een ritje door Noordwest-Overijssel. Jan stelde voor om naar Sint Jansklooster te rijden. Onderweg kwamen we langs de Monnikenmolen. Daar stopten we uiteraard om foto’s te maken van deze goed onderhouden molen en het naastgelegen huisje. Mogelijk was dit het huis waar vroeger de molenaar woonde.
Sint Jansklooster is vooral bekend vanwege het jaarlijkse Bloemencorso Sint Jansklooster, waarbij enorme praalwagens met honderdduizenden dahlia’s worden versierd. Naast de molen staat een bordje waarop wordt vermeld dat het corso in Sint Jansklooster tot het Immaterieel Werelderfgoed behoort.
Tijdens de autorit vertelde ik Jan dat ik in 2012 samen met mijn moeder op de duofiets regelmatig door dit prachtige gebied reed. Voor Jan was dat natuurlijk geen nieuwe informatie, want we kennen elkaar tenslotte al zo’n twintig jaar. Deze herinnering was de aanleiding om terug te gaan naar het jaar 2012…
In de laatste fase van haar leven verbleef onze moeder in een tehuis in Vollenhove. Van daaruit maakten we regelmatig fietstochtjes op de duofiets. Een van die ritten bracht ons bij een akker vol dahlia’s. Ze hield van bloemen, dus stopten we om samen van al die prachtige dahlia’s te genieten.
Onze moeder hield van buiten zijn, van bloemen, van tuinieren, van klussen en van de natuur. Ze hield van een rondje fietsen, van spontane praatjes met mensen en van een kleurrijke zonsondergang. Ze kon moeilijk ‘niets nuttigs doen’. Ze hield van aanpakken en van het helpen van andere mensen. Maar ze kon ook genieten van lezen, handwerken, EHBO en volksdansen. Ze was sportief, ze kon heel goed zwemmen en schaatsen. Men zegt dat ik in doen en laten veel op haar lijk.
Lichamelijk was ze taai en sterk. Haar geest liet haar echter steeds meer in de steek. Stiekem kwam de dementie haar leven binnen. Wie dit zelf heeft meegemaakt bij een naaste, weet hoe zwaar zo’n periode is. Verdriet, onbegrip, boosheid en onmacht liepen voortdurend door elkaar heen. Het was een intensieve periode, voor haar én voor de mensen om haar heen.
De kleinkinderen hielden van hun oma en oma van hen. Ze hadden bewondering voor de manier waarop ze in het leven stond, ondanks het verlies van haar twee kleine kinderen. Ze gingen regelmatig mee op bezoek.
Als we met oma gingen fietsen, nam ik de fiets van een van de kinderen mee op het fietsenrek naar het tehuis. Vanuit daar gingen we dan op pad met de duofiets, met een van de kleinkinderen op de eigen fiets erachteraan. Halverwege de rit ruilden we dan van plaats. We namen altijd iets lekkers mee voor onderweg.
De ritjes op de duofiets waren een feest. De wind door de haren, de geuren van het platteland in de neus en onderweg mensen begroeten. Het waren eenvoudige, maar waardevolle momenten. De ritjes op de duofiets met oma zullen onze kinderen en ik voor altijd koesteren.
In onze achtertuin staat een walnotenboom van zo’n 6,5 meter hoog. Dat heb ik overigens niet zelf opgemeten. Ik heb een foto van de boom geüpload naar een AI-toepassing, die de hoogte berekende met behulp van ons tuinhuis als referentie.
Dit jaar is het een uitzonderlijk goed walnotenjaar. Op onderstaande foto’s zijn de vruchten mooi te zien. Op een gegeven moment barst de groene bolster open en valt de walnoot op de grond. Mijn man raapt ze dagelijks op. Met behulp van een handig grijpertje verzamelt hij iedere dag zo’n 50 tot 100 walnoten. Dat levert inmiddels een flinke voorraad op!
Walnoten kun je niet direct eten; ze moeten eerst goed drogen. Dat gaat het beste onder de veranda, op een rooster en op een plek waar de wind er goed langs kan waaien. Zo verklein je de kans op schimmelvorming. Zoals jullie weten ben ik nogal graag aan het klussen, dus heb ik zelf acht droogrekken gemaakt. Daarmee kunnen we een flinke hoeveelheid walnoten kwijt. Overigens is het niet zo dat alle walnoten uiteindelijk een succes worden. Sommige drogen niet goed, raken beschadigd of blijken van mindere kwaliteit te zijn. Gelukkig blijft er meer dan genoeg over om van te genieten.
Vorige week maakte ik met mijn camera een rondje door de tuin. Het verbaasde me hoe goed de natuur zich heeft hersteld na de droge zomer. Op de verbena foerageerde een blauwtje. Ik dacht dat het een vrouwtje van het Icarusblauwtje was. Bij deze soort is het mannetje blauw en het vrouwtje bruin. Waarom ik het deed, weet ik niet meer, maar ik maakte toch een foto om de vlinder met ObsIdentify te kunnen determineren. Tot mijn verbazing gaf de app aan dat het een Bruin blauwtje was. Ik wist niet eens dat er een Bruin blauwtje bestond!
Het Bruin blauwtje lijkt op het vrouwtje van het Icarusblauwtje. Ook zij heeft bruine vleugels met oranje vlekken. Toch zijn er verschillen tussen beide soorten. Op de website Natuur dichtbij wordt dit duidelijk uitgelegd. Het Bruin blauwtje komt in Nederland vrij algemeen voor, maar is de afgelopen jaren sterk achteruitgegaan. Daarom staat het op de Rode Lijst als gevoelig. Het exemplaar dat ik in onze tuin aantrof, was al enigszins versleten. Het vlinderseizoen loopt dan ook ten einde.
De lunch was goed en gezellig, maar we hadden vooral waardevolle gesprekken. Alberta en ik namen dan ook alle tijd voor de lunch. Toen we terug wandelden naar de tuin van de voormalige tuinbouwschool, stopten we onderweg om een foto te maken van 19e-eeuws diensthuis dat bij de tuinbouwschool hoorde.
De voormalige tuinbouwschool in Frederiksoord werd in 1884 opgericht en was de eerste tuinbouwschool van Nederland. De school maakte deel uit van de Koloniën van Weldadigheid, waar de basis werd gelegd voor de Nederlandse verzorgingsstaat en de georganiseerde armoedebestrijding.
Het gebouw heeft in de loop der jaren verschillende functies gehad. Zo werd het bewoond en was er een klokkenmuseum gevestigd. Inmiddels maakt het deel uit van het nieuwe Hotel Frederiksoord. Op de website van RTV Drenthe kun je er meer over lezen.
Nadien maakten we een rondgang door de tuin van de voormalige tuinbouwschool. Gelukkig was het inmiddels droog, al bleef het bewolkt. We wandelden door de laan met leiperen. De leiperen zijn een bijzonder stukje levend erfgoed. Ze dateren uit 1884 en behoren tot de oudste elementen van de schooltuin. De eerste directeur van de tuinbouwschool liet ze aanplanten en nam zijn kennis hierover mee uit België. Tegenwoordig worden de leiperen zorgvuldig gerestaureerd en onderhouden door vrijwilligers. Dat is belangrijk, want veel van deze historische rassen zijn nog maar op weinig plaatsen te vinden.
Bij de stenen op de tweede foto heb ik geen informatiebordje kunnen ontdekken. Voor zover ik heb kunnen achterhalen, hebben ze geen bijzondere historische betekenis die verband houdt met de voormalige tuinbouwschool. Ze lijken vooral een onderdeel te zijn van de tuinarchitectuur.
We wandelden verder naar de kassen. In november 2023 waren Jan en ik ook in deze tuin. We kwamen toen bij enkele zeer vervallen kassen. De deur stond open en heel voorzichtig gingen we naar binnen. We werden verrast door een interieur dat zich uitstekend leende voor urbanfotografie. Die fotoserie kun je bekijken in dit bericht op mijn weblog .
De kassen die er nu staan, zien er netjes uit en worden volop gebruikt voor de teelt. Wat een verschil met de vervallen kassen die we destijds aantroffen! Het enige element dat een beetje uit de toon viel, was een verkreukeld stukje bladmuziek van een Duits lied. Het bleek te gaan om Ode an die Freude, het beroemde slotkoor uit de Negende symfonie van Beethoven. De tekst op het muziekblad, ‘Deine Zauber binden wieder … alle Menschen werden Brüder’, komt uit het gedicht van Friedrich Schiller.
We kwamen langs de groente- en bloementuin. Ondanks het bewolkte weer troffen we daar nog een aantal insecten die we konden fotograferen, waaronder een hommel, een Koolwitje, een Icarusblauwtje en een Bruin blauwtje.
We liepen langs indrukwekkende en mooie bomen. Op het terrein van de voormalige tuinbouwschool staat een oude trompetboom die iedereen kent als Oma Catalpa. Ze is waarschijnlijk al meer dan een eeuw oud en is uitgegroeid tot een grillige, karaktervolle boom met kromme takken en een brede kruin.
Generaties leerlingen liepen tijdens hun praktijklessen langs deze boom. Daarmee is Oma Catalpa een stille getuige van de geschiedenis van het tuinbouwonderwijs in Frederiksoord. Die bijzondere geschiedenis leverde haar zelfs een nominatie op voor Boom van het jaar 2025. Niet omdat ze de grootste of mooiste boom is, maar omdat ze een echte verhalenboom is. Oma Catalpa heeft toen niet gewonnen, maar kreeg een mooie derde plaats.
Toen we weer terug waren bij De PROEF, was de bewolking inmiddels opengebroken. Het kunstwerk voor de corso bij de ingang van De PROEF was ook klaar. Daarmee zat ons gezellige dagje samen erop. We namen afscheid met de afspraak dat we niet weer zo lang zouden wachten om iets samen af te spreken.
In mijn vorige bericht schreef ik over ons bezoek aan De PROEF, gevestigd in de voormalige tuinbouwschool. De gastvrouw, die naast haar gastvrije ontvangst ook de maker was van de overheerlijke bonbons, gaf ons een leuke tip. Ze raadde ons aan om een kijkje te nemen in de feesttent naast Museum De Proefkolonie. Daar werden die dag de dahlia’s gestoken voor het corso van de volgende dag. Omdat het weer nog niet echt meewerkte om de tuin in te gaan, besloten Alberta en ik eerst naar de feesttent te wandelen.
Er was volop bedrijvigheid, zowel buiten als in de tent. Terwijl Alberta iemand opzocht om toestemming te vragen om te fotograferen – wat geen enkel probleem bleek te zijn – liep ik alvast rond met mijn camera. Al snel ontdekten we dat alle corsowagens hier opgesteld stonden. Overal was men bezig met het bouwen van enorme stellages rond de corsowagens, zodat later de dahlia’s gestoken kunnen worden. Wij raakten in gesprek met iemand die ons er alles over vertelde.
Het steken begint pas wanneer alle stellages gereed zijn. Vanaf dat moment wordt er met man en macht gewerkt, soms tot diep in de nacht. Het bouwen van een corsowagen start al in april, meestal in de avonduren, omdat iedereen dit naast werk en gezin doet. Achter deze praalwagens schuilt een enorme logistiek wat betreft het bestellen van de juiste kleuren dahlia’s. Elke wagen vraagt om duizenden bloemen in precies de goede tinten; dat vergt planning, afstemming en een strak schema.
Na onze rondgang langs de corsowagens wandelden we naar de overkant van de weg, naar restaurant Posten. De tip kregen we van de gastvrouw in De PROEF. Het restaurant zit in het voormalige postkantoor van Frederiksoord, een prachtig rijksmonument uit 1900–1901, gebouwd in opdracht van de Maatschappij van Weldadigheid. Alleen al het gebouw is de moeite waard om even bij stil te staan. Helaas bleek het restaurant op vrijdag tussen de middag gesloten. Daarom liepen we door naar het naastgelegen Hotel Frederiksoord, waar we neerstreken voor een heerlijke ‘Uitsmijter Kolonie’.