Tijdens mijn eerste fietstocht door het Bargerveen kwam ik op bij een plek waar enorme grote zwerfkeien lagen, voorzien van een bordje met informatie over de soort en de herkomst van de steen. Deze enorme keien zijn zwerfstenen: oeroude stukken graniet, gneis en kwartsiet die miljoenen, en soms zelfs meer dan een miljard jaar geleden, in Scandinavië zijn gevormd. Tijdens de Saale-ijstijd werden ze door een enorme gletsjer los geschraapt en honderden kilometers naar het zuiden meegevoerd.
Toen het ijs zich terugtrok en uiteindelijk smolt, bleven de keien achter in het Drentse landschap. Niet alleen op de Hondsrug, maar ook in de laagte waar later het Bargerveen ontstond. Daar groeide het veen in de loop van duizenden jaren simpelweg om de keien heen. Zo liggen deze oeroude stenen nu als stille getuigen van de ijstijd in het Bargerveen. Een bijzonder idee als je bedenkt dat deze keien al een reis van honderden kilometers achter de rug hadden, lang voordat hier het veenlandschap ontstond.
Op deze plek is het landschap iets verhoogd en is een klein uitkijkpunt ingericht, met een picknickplaats. Vanaf hier heb je een mooi uitzicht over het omliggende landschap van het Bargerveen. Ook staat er een informatiebord met meer informatie over het gebied en zijn bijzondere geschiedenis.
Het Bargerveen is een van de laatste overgebleven hoogveengebieden van Nederland. Tegenwoordig is het een uitgestrekt natuurgebied waar rust en stilte overheersen, maar eeuwenlang was het een plek waar hard werd gewerkt en waar talloze mensen hun bestaan opbouwden.
Wie meer wil weten over de mensen die hier ooit woonden en werkten, kan de Historische Route Bargerveen volgen. Deze route, aangelegd door Cultuur-Historisch Zwartemeer, voert langs 32 informatiepanelen die zijn geplaatst bij voormalige woonlocaties. Elk bord vertelt het verhaal van de families die hier, vaak onder zware omstandigheden, een bestaan wisten op te bouwen.
Hoewel het ontoegankelijke veengebied moeilijk begaanbaar was, verbleven er al rond 5000 v.Chr. incidenteel rondtrekkende groepen mensen. Eeuwen later gebruikten bewoners aan de randen van het veen turf als brandstof. Vanaf de zestiende eeuw kwam de grootschalige turfwinning op gang. Tegelijkertijd werden delen van het veen ontwaterd om rogge en andere gewassen te kunnen verbouwen. Daarmee begon een eeuwenlange menselijke ingreep die het oorspronkelijke hoogveenlandschap ingrijpend veranderde.
In de negentiende en twintigste eeuw bereikte de turfwinning haar hoogtepunt. In het Amsterdamsche Veld werd de bovenste veenlaag, het zogenoemde grauwveen, met smalspoortreinen afgevoerd naar de fabriek van de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij. Daar werd het verwerkt tot turfstrooisel, dat onder meer werd gebruikt als bodembedekking in stallen. Ook de stoomtram van de Drentsche Stoomtramweg-Maatschappij (DSM) speelde een belangrijke rol. Tot in de jaren dertig vervoerde deze turf naar de omliggende plaatsen, waarna het vrachtverkeer deze taak overnam.
Vanaf 1921 werd in Klazienaveen zwarte turf verwerkt tot actieve kool in de Puritfabriek, de voorloper van het huidige Norit. Hiervoor werd een uitgebreid netwerk van smalspoorlijnen aangelegd dat diep het veengebied in liep.
De grootschalige vervening liet diepe sporen achter. Vrijwel alle oorspronkelijke veenlagen verdwenen. Pas in 1992 kwam definitief een einde aan de turfwinning in het Bargerveen. Daarna kreeg natuurherstel de ruimte en kon het gebied zich langzaam ontwikkelen tot het bijzondere hoogveenlandschap dat we vandaag de dag kennen.
Na de fotoserie bij het bezoekerscentrum in De Wieden reed ik via Blokzijl en mijn geboorteplaats door naar De Weerribben. Daar hoopte ik onder andere de Kempense heidelibel te fotograferen. Dat ik deze soort even daarvoor, zonder het te weten, al bij het bezoekerscentrum had gefotografeerd, wist ik op dat moment nog niet.
Ik parkeerde de auto op de parkeerplaats aan de Hoogeweg en wandelde langs het mooie watertje richting het witte bruggetje. Aan de overkant van het bruggetje sloeg ik rechtsaf en vervolgde mijn wandeling.
Er stond inmiddels een stevige wind, windkracht 4, en dat maakte het fotograferen van insecten er niet gemakkelijker op. Voor libellen die enigszins beschut in de luwte zaten, moest het echter wel te doen zijn. Ik ging dus op zoek naar de Kempense heidelibel.
De eerste ontmoeting was met een zwarte heidelibel. Deze streek neer op de grond, niet bepaald een mooi plekje voor een foto, maar ik was allang blij dat hij zich liet zien. Een bloedrode heidelibel koos gelukkig een wat fotogeniekere plek en ging bovenop een kattenstaart zitten.
Iets verderop zag ik een Kempense heidelibel vliegen. Ik hield goed in de gaten waar hij zou landen. Het bleek een mannetje te zijn, te herkennen aan het roodgekleurde achterlijf. Het vrouwtje heeft een okergeel achterlijf. Het mannetje vloog zo nu en dan even op, maar keerde telkens weer terug naar dezelfde plek. Dat gaf me mooi de gelegenheid om rustig op mijn kans te wachten.
De Kempense heidelibel is een zeldzame soort die in Nederland vooral voorkomt in Noordwest-Overijssel. De soort leeft in ondiepe wateren die in de winter droogvallen. Dat is een bijzonder systeem, waarin de larven weinig concurrentie hebben. In De Weerribben en De Wieden doet de Kempense heidelibel het tegenwoordig goed. Dankzij het rietbeheer en het speciale peilbeheer, waarbij het waterpeil in de winter laag en in de zomer hoger wordt gehouden, zijn hier geschikte leefgebieden ontstaan. Het gebied vormt daarmee het belangrijkste Nederlandse bolwerk van deze bijzondere heidelibel.
De Kempense heidelibel valt ook op door de prachtige verkleuring in de vleugels, die zichtbaar wordt wanneer het zonlicht er precies op de juiste manier op valt. Het was daarom even wachten tot de wolken voor de zon waren weggetrokken en het zonlicht weer vrij spel kreeg.
In het zonlicht krijgen de vleugels een warme, goudachtige glans. Het heldere vleugelvlies werkt daarbij als een natuurlijk prisma, waardoor langs de vleugeladers een zachte amberkleur oplicht. Bij iedere beweging lijkt het licht heel subtiel te flikkeren.
Na mijn wandeling over de bloeiende heide bij de hunebedden in Havelte reed ik door naar het bezoekerscentrum in Sint Jansklooster. Op de stevige wind na was het heerlijk weer, met prachtige wolkenluchten. Daar wilde ik natuurlijk graag van profiteren.
Naast het hoofdgebouw staat een grote vlinderstruik. Ik hoopte daar een koninginnenpage te kunnen fotograferen. Een hele tijd stond ik geduldig te wachten en de struik af te speuren, maar de koninginnenpage liet zich niet zien. Toen ik het aan een medewerkster vroeg, vertelde zij dat de koninginnenpage zich dit jaar nog niet bij de vlinderstruik had laten zien. Gelukkig was er wel genoeg leven te bewonderen. Talloze koolwitjes fladderden rond en ook atalanta’s en distelvlinders waren druk bezig met foerageren.
Ik besloot naar achteren te wandelen, langs de prachtige bloementuin en de idyllische huisjes. Hoewel ik hier al vaak ben geweest, ben ik iedere keer weer aangenaam verrast. De schilderachtige ligging, de sfeervolle huisjes, de rijke natuur en het mooie wandelpad maken dit telkens weer tot een plek waar ik met veel plezier terugkom.
Voordat ik het wandelpad op ging, streek ik eerst neer op het terras voor een cappuccino en een heerlijk stukje taart. Nog voordat ik mijn eerste slok had genomen, raakte ik al in gesprek met andere bezoekers. Dat is misschien wel het voordeel van alleen op pad zijn: je wordt sneller aangesproken. Ik heb me weleens laten vertellen dat dat ook komt door een open houding. 😉
Daarna koos ik als eerste het pad waar ik in 2024 de zeldzame vlinder met de prachtige naam zilveren maan heb gefotografeerd. Veel verwachting had ik niet, want met de harde wind leek de kans op een nieuwe ontmoeting klein. Wandel je met me mee door dit prachtige stukje natuur?
Ik heb volop genoten van de wandeling. De zilveren maan liet zich deze keer niet zien, maar dat werd ruimschoots goedgemaakt door een ontmoeting met de zeldzamere zwarte heidelibel. Ook dat zijn van die onverwachte natuurmomenten die een wandeling bijzonder maken.
Eenmaal terug bij de huisjes nam ik een paadje achterlangs. Daar was ik nog niet eerder geweest. Het was een wat rommelig hoekje, maar juist dat maakte het aantrekkelijk om te fotograferen.
Toen ik weer terug was bij het hoofdgebouw, bleef ik nog een tijd bij de grote vlinderstruik staan om te kijken en te fotograferen. Tot mijn verrassing kwam er een kolibrievlinder aanvliegen die zich tegoed deed aan de nectar van de bloemen. De vlinder vloog zoals gebruikelijk razendsnel van de ene naar de andere bloem, maar lang genoeg om er enkele foto’s van te maken. Leuke weetjes over deze vlinder kun je lezen op de website van Natuurpunt.
Verder trof ik nog een paar heidelibellen aan. In eerste instantie dacht ik dat ik weer enkele van de ‘gewone’ heidelibellen had gefotografeerd, soorten die vaak lastig van elkaar te onderscheiden zijn. Pas toen ik de foto’s op het beeldscherm bekeek, ontdekte ik dat de heidelibel op de Persicaria (linkerfoto) een Kempense heidelibel was. Tijdens het fotograferen had ik dat niet in de gaten. Deze soort ken ik eigenlijk alleen uit De Weerribben, waardoor ik hem hier niet direct had verwacht. De heidelibel op de rechterfoto blijkt de veel algemenere steenrode heidelibel te zijn.
Vanaf bezoekerscentrum De Wieden reed ik via Blokzijl en mijn geboorteplaats verder naar De Weerribben, maar daarover vertel ik een volgende keer meer.
Mijn man was gisteren op pad met de wandelgroep van de kerk. Onderweg zagen ze op een zandpad een hazelworm liggen. Ze hadden net voldoende tijd om er foto’s en filmpjes van te maken voordat de hazelworm verdween in de vegetatie.
Vanmorgen besloot ik zelf naar de heide bij de hunebedden in Havelte te gaan, in de hoop ook een hazelworm te ontdekken. Door het warme weer staat de heide dit jaar opvallend vroeg in bloei. Zo kon ik ook meteen genieten van de bloeiende heide.
Eenmaal aangekomen op het pad waar een dag eerder de hazelworm was gezien, speurde ik aandachtig de omgeving af. Ondertussen schoof een dreigende lucht steeds dichterbij. Dat beloofde weinig goeds, want een hazelworm ligt juist graag op een zonnig pad om zich op te warmen. Als het zou gaan regenen, kon ik mijn zoektocht eigenlijk wel vergeten.
Gelukkig bleef het bij een paar regendruppels en trok de bui net langs me heen. Onder de bomen vond ik een plekje om te schuilen. Geduldig wachtte ik tot de zon weer doorbrak. Maar toen dat zover was werd het steeds drukker op het pad door joggers en wandelaars. De kans dat een hazelworm zich nog zou laten zien werd alleen maar kleiner.
Na een tijdje hield ik het voor gezien. Ik besloot nog even een zijpad in te slaan om de vroeg bloeiende heide te fotograferen. Van een hazelworm was geen spoor te bekennen. Het enige dat mijn pad kruiste, was een steenrode heidelibel. Ook die mocht natuurlijk even poseren voor de camera.
Ik wandelde weer terug naar beneden en genoot onderweg van het prachtige uitzicht, met onder andere de hunebedden D53 en D54.
Vanwege het mooie weer en de prachtige wolkenluchten besloot ik nog door te rijden naar een volgende locatie. Maar daarover vertel ik een volgende keer meer. Mijn man weet inmiddels dat een fototocht zomaar een hele dag kan duren. Ik vertrok om negen uur ‘s morgens en stapte pas rond vier uur ‘s middags weer thuis binnen. Deze keer hield ik hem via WhatsApp wel op de hoogte van mijn volgende bestemming.
De foto van de hazelworm maakte mijn man met z’n telefoon.
De hazelworm is geen slang en ook geen worm, maar een pootloze hagedis. Het is een van de meest voorkomende reptielen van Europa en ook in Nederland is hij op de zandgronden vrij algemeen. Toch heb ik er, ondanks mijn vele wandelingen in de natuur, nog nooit eentje in het echt gezien.
Toen ik na de vakantie de foto’s van mijn camera naar de computer overzette, ontdekte ik dat er ook nog een aantal tussen stonden die ik de dag vóór ons vertrek in onze tuin had gemaakt. Die wil ik eerst graag laten zien.
Op een bedauwde ochtend zat voor ons huis een juveniele groene specht. Waarschijnlijk was dit een jong uit een nest op het perceel naast ons huis. De foto maakte ik vanuit de huiskamer, zodat de specht ongestoord zijn gang kon gaan.
Boven een van de terrassen groeien druivenranken. Het belooft een goed druivenjaar te worden. Deze natuurlijke parasol is deze zomer meer dan welkom; hij zorgt niet alleen voor een heerlijke schaduwplek, maar helpt ook om de warmte uit ons huis te houden.
Ook de imposante walnotenboom van pakweg zeven meter hoog biedt volop schaduw. Bovendien lijkt ook dit een uitstekend walnotenjaar te worden: de boom hangt vol met vruchten.
In een van de bloemenborders bloeit wilde marjolein. Deze plant is een geliefde nectarbron voor veel insecten. Vooral het koevinkje is er bijna voortdurend op te vinden, op zoek naar nectar.
Sinds een paar maanden zien we op het perceel naast ons huis regelmatig een haas foerageren. Vanuit onze woonkamer kunnen we hem vrijwel dagelijks bewonderen. Het lijkt erop dat het geen echte angsthaas is, want ik kan zelfs rustig naar buiten gaan om foto’s te maken. Daarbij stel ik me wel zo onopvallend mogelijk op.
We verbleven op een camping vlak bij het Bargerveen. Het was dan ook vanzelfsprekend dat mijn eerste fietstocht naar dit bijzondere natuurgebied zou zijn. Vanaf het moment dat ik het natuurgebied inreed. was ik helemaal verrukt. Het brede fietspad voerde door een uitgestrekt landschap met prachtige vergezichten, waar rust en ruimte de boventoon voerden. Vooral de vele vennen vond ik prachtig. Het spiegelende water, omringd door heide en veen, gaf het landschap een bijna verstilde sfeer.
Ik stapte af bij een groep wilde lupinen. Hun paarse bloemen vormden een prachtig contrast met het groen van de omgeving. Voor mij horen de lupinen helemaal bij Drenthe.
Het Bargerveen ontstond ongeveer 12.000 jaar geleden als hoogveenlandschap. Eeuwenlang werd het gebied gebruikt voor turfwinning en landbouw, waardoor er nog maar weinig van het oorspronkelijke hoogveen overbleef. Sinds de jaren negentig is het gebied echter op grote schaal hersteld. Dankzij deze natuurontwikkeling is het Bargerveen uitgegroeid tot een van de laatste levende hoogveengebieden van Europa.
Mijn fietstocht schoot niet echt op. Om de haverklap zag ik weer iets dat mijn aandacht trok. Zo kwam ik bij een ven waarin een klein hutje half in het water stond. Later las ik dat dit het Huussie van Uneken is.
Dit eenvoudige veenhutje diende vroeger als schuilplek voor boer Uneken uit Weiteveen tijdens het zware werk in het veen. Door de vernatting van het Bargerveen ten behoeve van het hoogveenherstel staat het tegenwoordig midden in het water. Het scheefgezakte hutje is daardoor uitgegroeid tot een fotogeniek en sfeervol symbool van het vroegere veenleven, waar cultuurhistorie en natuur op een bijzondere manier samenkomen.
Een opvallende plant in het Bargerveen is het veenpluis. Deze plant uit de zeggefamilie groeit vooral in natte hoogvenen en moerassen. In juni en juli tooien de witte, pluizige vruchtpluimen het landschap en lijken ze zachtjes boven het veen te zweven. Het is een van de meest kenmerkende planten van het Bargerveen. Natuurlijk ben ik even door mijn knieën gegaan om er een paar foto’s van te maken.
We zijn weer terug van vakantie. We hebben een heerlijke tijd gehad in Drenthe, aan de rand van het prachtige natuurgebied Bargerveen. Ook het weer werkte volop mee. De komende tijd zal ik regelmatig foto’s laten zien van ons verblijf daar.
Op de eerste ochtend werd ik al vroeg gewekt door het zanggeluid van een wielewaal. De vogel zat in de boomsingel achter onze caravan. Nieuwsgierig sprong ik direct uit bed om deze bijzondere verschijning te zoeken en, als het even kon, op de foto vast te leggen. Ondanks zijn opvallende geel-zwarte verenkleed laat een wielewaal zich echter niet gemakkelijk zien. Tussen het dichte bladerdek was het zoeken naar de spreekwoordelijke speld in een hooiberg.
Terwijl ik met camera en telelens langs de bomen speurde, kwam ik de eigenaresse van de camping tegen. Ook zij was gewapend met camera en telelens en bleek een enthousiaste vogelfotograaf te zijn. Op het schermpje van haar camera liet ze mij een foto zien van een wielewaal die zijn jongen aan het voeren was. Omdat ze op het terrein woont, heeft zij het voorrecht om de eerste wielewalen van het voorjaar vaak al op haar eigen erf te ontdekken.
Bovenstaande foto maakte ik op 13 juli. Op de derde en vierde ochtend stond ik opnieuw vroeg bij de bosrand, maar tevergeefs. Het wielewaalseizoen liep ten einde.
De wielewaal laat zich vooral in juni horen. Vanaf half juli verstomt zijn karakteristieke zang en verdwijnen de vogels vrijwel ongemerkt uit ons land. De meeste wielewalen vertrekken tussen half juli en eind augustus, al wordt heel af en toe begin september nog een laat exemplaar waargenomen.
De winter brengen ze door in tropisch Afrika, voornamelijk in landen ten zuiden van de evenaar, zoals Tanzania, Kenia en Oeganda. Daar vinden ze volop insecten, hun belangrijkste voedselbron.
De bijzondere plek waar Jan mij mee naartoe nam en waarover ik eerder schreef, was het kerkhof van Ald Beets. Het kerkhof heeft een uitzonderlijk lange geschiedenis. Al in de 11e eeuw stond hier de eerste kerk van Beets. Deze aan Sint-Geertruid gewijde kerk verdween in de 19e eeuw, maar het kerkhof bleef behouden.
Op het kerkhof zijn oude grafzerken aanwezig, sommige versierd met familiewapens en sierlijke inscripties. Hoewel er geen volledige begraafregisters van Ald Beets bewaard zijn gebleven, wijzen zowel de adellijke symbolen op de zerken als de historische rol van families als Van Lynden, Boelens en Fockens sterk in hun richting. Deze geslachten waren eeuwenlang landbezitters, bestuurders en kerkfinanciers in Beets en Beetsterzwaag. Daardoor is het zeer aannemelijk dat leden van deze invloedrijke families hier hun laatste rustplaats vonden, ook al kan men dat door het ontbreken van oude administratie niet voor elke persoon met absolute zekerheid vaststellen.
Na de bouw van de Adelskerk in 1885 veranderde het kerkhof langzaam van karakter. De middeleeuwse sfeer maakte plaats voor 19e‑eeuwse grafmonumenten: sobere stenen, soms omringd door gietijzeren hekjes, vaak met de namen van families uit Ald Beets en Beetsterzwaag.
Na de sloop van de Adelskerk in 1984 werd het kerkhof opnieuw het belangrijkste herkenningspunt van Ald Beets. Vier jaar later, in 1988, werd er een nieuwe klokkenstoel geplaatst als herinnering aan de eeuwenlange traditie van de klokken die ooit bij de Gertrudiskerk hoorden.
Een van de graven op dit kerkhof is van Cornelia van Lynden. Zij was een jonge freule uit een adellijke familie uit Beetsterzwaag en overleed in 1880, pas twintig jaar oud, aan tuberculose. Cornelia ligt begraven in het familiegraf Van Lynden.
Cornelia was een kleindochter van Frans Godaert baron van Lynden, die in 1821 Huize Lyndenstein liet bouwen. Samen met haar ouders bracht zij de zomers door op het landgoed. Ze stond bekend om haar betrokkenheid bij de inwoners van Beetsterzwaag en zette zich met veel toewijding in voor zieke en arme kinderen.
Na haar vroege overlijden wilden haar ouders haar idealen laten voortleven. In hun testament bepaalden zij dat Huize Lyndenstein na hun overlijden een kinderziekenhuis moest worden. Die wens leidde uiteindelijk tot de oprichting van de Cornelia-Stichting in 1915. De stichting beheerde het landgoed en maakte de vestiging van een kinderziekenhuis mogelijk.
Vanaf dat moment kreeg Lyndenstein een belangrijke plaats in de gezondheidszorg. Eerst werden er kinderen met tuberculose verpleegd, later kwamen daar poliopatiënten bij en uiteindelijk groeide Lyndenstein uit tot een gespecialiseerd centrum voor revalidatie. Zo leeft de naam van Cornelia van Lynden, ruim een eeuw na haar overlijden, nog altijd voort in de zorg voor kinderen en jongeren. Over Huize Lyndenstein schreef ik in dit bericht.
Met de Joiny kon Jan gemakkelijk langs de buitenrand van het kerkhof rijden. Regelmatig stapte hij even af om een bijzonder detail of een graf van dichterbij te bekijken.
Het was een uitstekend idee van Jan om samen deze bijzondere plek te bezoeken. Het natuurlijke karakter van het kerkhof, met het hoge gras en wilde bloemen, gaf de toch al historische en sfeervolle omgeving een extra dimensie. Juist de combinatie van geschiedenis, rust en natuur maakte dit bezoek zo bijzonder. Het verkeerslawaai van de vlakbij gelegen A7 namen we daarbij graag voor lief; de charme van deze unieke plek overtrof dat ruimschoots.
De laatste fotoseries die ik nog in concept had staan, zijn gemaakt tijdens de prachtige tocht die mijn fotomaatje en ik bijna een maand geleden maakten. Jan reed op de Joiny en ik op de e-bike. Onze route voerde ons door de buitenwijken en de omgeving van Drachten. Hoewel het overwegend bewolkt was en een vest geen overbodige luxe bleek, waren de omstandigheden verder prima.
Later hoorde ik van Jan dat we die dag zo’n 30 kilometer hadden afgelegd. Onderweg stopten we om een foto te maken of we namen regelmatig even plaats op een van de vele bankjes om gezellig bij te praten. Heel veel foto’s heb ik tijdens deze tocht overigens niet gemaakt, maar dat was helemaal prima.
Onderweg naar een bijzondere plek kon ik het niet laten om even te stoppen voor deze foto van een imposante boom. Over die bijzondere bestemming vertel ik later meer.
Op een bepaald moment besloten we, na enig wikken en wegen, toch nog een omweg te maken. Onze bestemming was Beetsterzwaag, waar we een bezoek brachten aan Huize Lyndenstein. Die keuze pakte verrassend uit, want daar ontmoetten we beeldend kunstenaar Floor van der Leun en haar man, die druk bezig waren met de opbouw van hun kunstproject in de Overtuin tegenover Huize Lyndenstein. Over die bijzondere ontmoeting schreef ik eerder al in dit bericht.
Deze keer richten we onze aandacht op Huize Lyndenstein zelf. Dit 19e-eeuwse, neoclassicistische landhuis werd in 1821 gebouwd voor Frans Godaert baron van Lynden. Tegenwoordig is het in gebruik als kantoorpand van Revalidatie Friesland. Vanaf 1915 deed Huize Lyndenstein dienst als kinderziekenhuis. In 1958 werd besloten het ziekenhuis om te vormen tot een revalidatiecentrum voor kinderen. Sinds 1985 worden er ook volwassenen behandeld. Tussen 2002 en 2004 verrees op het terrein een nieuw complex. Meer informatie is te vinden op deze website van Revalidatie Friesland.
In de tuin staan enkele imposante beelden opgesteld: de dierenriembeelden. Na een flinke omzwerving hebben ze sinds mei 2026 weer een plek gekregen in de voortuin van Huize Lyndenstein. Achter deze beelden schuilt een bijzonder verhaal. Wie daar meer over wil weten, kan het uitgebreide verhaal lezen op de website van Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven.