Sint Jansklooster, dahlia’s en duofiets

Een tijdje geleden maakten Jan en ik een ritje door Noordwest-Overijssel. Jan stelde voor om naar Sint Jansklooster te rijden. Onderweg kwamen we langs de Monnikenmolen. Daar stopten we uiteraard om foto’s te maken van deze goed onderhouden molen en het naastgelegen huisje. Mogelijk was dit het huis waar de molenaar woonde.

Sint Jansklooster is vooral bekend vanwege het jaarlijkse Bloemencorso Sint Jansklooster, waarbij enorme praalwagens met honderdduizenden dahlia’s worden versierd. Naast de molen staat een bordje waarop wordt vermeld dat het corso in Sint Jansklooster tot het Immaterieel Werelderfgoed behoort.

Tijdens de autorit vertelde ik Jan dat ik in 2012 samen met mijn moeder op de duofiets regelmatig door dit prachtige gebied reed. Voor Jan was dat natuurlijk geen nieuwe informatie, want we kennen elkaar tenslotte al zo’n twintig jaar.

In de laatste fase van haar leven verbleef mijn moeder in een tehuis in Vollenhove. Van daaruit maakten we regelmatig fietstochtjes op de duofiets. Een van die ritten bracht ons bij een akker vol dahlia’s. Mijn moeder hield van bloemen, dus stopten we om samen van al die prachtige dahlia’s te genieten.

Onze moeder hield van buiten zijn, van bloemen, van tuinieren, van klussen en van de natuur. Ze hield van een rondje fietsen, van spontane praatjes met mensen die ze onderweg tegenkwam en van een kleurrijke zonsondergang. Ze kon moeilijk ‘niets nuttigs doen’. Ze hield van aanpakken en van het helpen van andere mensen. Maar ze kon ook genieten van lezen, handwerken, EHBO en volksdansen. Men zegt dat ik in doen en laten veel op haar lijk.

Lichamelijk was ze taai en sterk. Haar geest liet haar echter steeds meer in de steek. Stiekem kwam de dementie haar leven binnen. Wie dit zelf heeft meegemaakt bij een naaste, weet hoe zwaar zo’n periode is. Verdriet, onbegrip, boosheid en onmacht liepen voortdurend door elkaar heen. Het was een intensieve periode, voor haar én voor de mensen om haar heen.

De kleinkinderen hielden van hun oma en oma van hen. Ze hadden bewondering voor de manier waarop ze in het leven stond, ondanks het verlies van haar twee kleine kinderen. Ze gingen regelmatig mee op bezoek.

Als we met oma gingen fietsen, nam ik de fiets van een van de kinderen mee op het fietsenrek naar het tehuis. Vanuit daar gingen we dan op pad met de duofiets, met een van de kleinkinderen op de eigen fiets erachteraan. Halverwege de rit ruilden we dan van plaats. We namen altijd iets lekkers mee voor onderweg.

De ritjes op de duofiets waren een feest. De wind door de haren, de geuren van het platteland in de neus en onderweg mensen begroeten. Het waren eenvoudige, maar waardevolle momenten. De ritjes op de duofiets met oma zullen onze kinderen en ik voor altijd koesteren.