Op een ochtend was ik zo rond zessen naar de Weerribben gereden.

Ik hoopte dat ik opnieuw de vuurlibel zou zien en dan deze keer met dauwdruppels…



Op een ochtend was ik zo rond zessen naar de Weerribben gereden.

Ik hoopte dat ik opnieuw de vuurlibel zou zien en dan deze keer met dauwdruppels…



Op en ochtend was ik rond 6 uur in De Weerribben. Ik wilde graag libellen met dauwdruppels vastleggen. Hoe goed ik ook keek, ik zag geen libellen en juffers hangen. Ik ‘struikelde’ wel over de slakken, ongekend zoveel. Maar daar was ik niet voor gekomen, want dan had ik ook wel in onze tuin kunnen blijven…
Eindelijk ontdekte ik een libel. Het was alsof de libel bestrooid was met kristalsuiker.

Volgens mij was het een steenrode heidelibel, een vrouw.

Het ziet eruit alsof ze naar mij zwaaide. Ze was echter bezig met het droog poetsen van haar koppie.

Het zou niet lang meer duren totdat ze beschenen werd door de opkomende zon. Vanaf dat moment zou ze snel opdrogen en kon ze het luchtruim kiezen.

Even later zag ik een andere heidelibel hangen. Vanwege de volledige zwarte poten determineer ik deze als bloedrode heidelibel, een man.

De Kempense heidelibel is ongetwijfeld een van de mooiste heidelibellen. De mannetjes zijn prachtig diep rood gekleurd dat overloopt naar oranje. De vrouwtjes zijn oranje overlopend in geel. Vandaag komt de man in beeld. In de vorige post liet ik de vrouw zien. De vrouwtjes blijven langer zitten en zijn zo beter vast te leggen. De mannetjes zijn veel ongeduriger. Dat vergt dus meer geduld.

De Kempense heidelibel is beduidend kleiner dan de andere heidelibellen en daardoor in vlucht goed te onderscheiden van de andere heidelibellen. Je kunt de soort ook goed herkennen aan de druppelvormige vlekjes op de zijkant van het achterlijf.

Het is een zeer zeldzame soort die in Nederland tot 2012 alleen op enkele locaties in het zuiden van Noord-Brabant gevonden kan worden. Ze zijn jaren lang alleen gezien bij De Plateaux (onder Valkenswaard) en de Ringselvennen bij Budel-Dorpplein. Op deze plekken lijken de aantallen vrij drastisch achteruit te hollen waardoor het onzeker leek of de soort in Nederland te vinden bleef.

In 2012 werd er totaal onverwachts een Kempense heidelibel gezien bij Zwolle en in 2013 is er een spectaculaire nieuwe populatie in de Weerribben ontdekt. Een totaal onverwachts habitat omdat de soort bekend staat om zijn voorkeur voor fluctuerend waterpeil. Ze komen namelijk vooral in de alpen en in visvijvers voor waar er zomers water staat, maar het in de winter droog valt. De hoop is dat deze nieuwe locatie levensvatbaar blijkt.

Ze vliegen voornamelijk in augustus. Bron is deze site.

De Kempense heidelibel is ongetwijfeld een van de mooiste heidelibellen. De mannetjes zijn prachtig diep rood gekleurd dat overloopt naar oranje. De vrouwtjes zijn oranje overlopend in geel. Vandaag zet ik de vrouw in het zonnetje…

De Kempense heidelibel is beduidend kleiner dan de andere heidelibellen en daardoor in vlucht goed te onderscheiden van de andere heidelibellen. Je kunt de soort ook goed herkennen aan de druppelvormige vlekjes op de zijkant van het achterlijf. Het is net alsof de druppeltjes op het lijfje zijn geplakt en daar overheen een hoogglans laklaagje is aangebracht…

Het is een zeer zeldzame soort die in Nederland tot 2012 alleen op enkele locaties in het zuiden van Noord-Brabant gevonden kan worden. Ze zijn jaren lang alleen gezien bij De Plateaux (onder Valkenswaard) en de Ringselvennen bij Budel-Dorpplein. Op deze plekken lijken de aantallen vrij drastisch achteruit te hollen waardoor het onzeker leek of de soort in Nederland te vinden bleef.

In 2012 werd er totaal onverwachts een Kempense heidelibel gezien bij Zwolle en in 2013 is er een spectaculaire nieuwe populatie in de Weerribben ontdekt. Een totaal onverwachts habitat omdat de soort bekend staat om zijn voorkeur voor fluctuerend waterpeil. Ze komen namelijk vooral in de alpen en in visvijvers voor waar er zomers water staat, maar het in de winter droog valt. De hoop is dat deze nieuwe locatie levensvatbaar blijkt.

Ze vliegen voornamelijk in augustus. Bron is deze site.

En ten slotte nog één met tegenlicht.

In de Weerribben fotografeerde ik de vuurlibel. Het is een prachtige en opvallende libel. De libel laat zich niet zo eenvoudig vastleggen, zo is mijn ervaring.

De mannetjes zijn bijna totaal helder rood: een rood lichaam, donkerrode poten en zelfs rode ogen. Alleen de vleugelbasis is geel en soms is er nog wat blauw te zien aan de onderkant van het oog. De vrouwtjes zijn geelbruin en zijn herkenbaar aan weinig tekening op het lichaam en dezelfde gele vleugelbasis.

De vuurlibel is een zuidelijke soort die zich vanwege het warmere weer steeds beter in Nederland weet te handhaven. Inmiddels is de soort niet meer echt zeldzaam. Ze komen voor in stilstaand, zonnig water en zijn niet erg kritisch.

De grootste aantallen worden gezien in juni en juli. Bron is deze site.

De mooiste manier om de Weerribben te ontdekken is vanaf het water. Deze mensen haalden hun kano’s van het imperial van de auto en begonnen aan hun tocht door de Weerribben.
Bij het gebrek aan een kano ging ik te voet. Ik was op zoek naar de grote vuurvlinder, maar die heb ik tot op heden nog niet gezien. Ik zag en fotografeerde wel meerder libellen.
Viervlek.
Steenrode heidelibel, man.
Steenrode heidelibel, vrouw.
De libel op onderstaande foto maakte ik een dag eerder in het Fochteloërveen. Ik ben lang bezig geweest met het determineren. Ik denk dat het gaat om de zeldzamere bruine korenbout. Wie het zeker weet mag het corrigeren. Ik zal het ook nog even voorleggen aan Waarneming.nl.

In de Weerribben fotografeerde ik onlangs de zilveren maan.

De zilveren maan is een zeldzame standvlinder die vooral voorkomt in het veenweidegebied op de grens van Utrecht en Zuid-Holland, in de kop van Overijssel, in Friesland en op Terschelling.

De zilveren maan vliegt in twee generaties en wel van mei tot half juni en van half juli tot september.
De vlinder heeft een mooie tekening bovenop de vleugels, maar de onderkant van de vleugels vind ik nog vele malen mooier.

De naam is eigenlijk best gek wanneer je het beestje ziet. Omdat de vlinder niet zilver is en ook niet de vorm van een maan heeft. De wetenschappelijke naam luidt Boloria selene (Boloria= visnet, zoals de structuur van de vleugels. Selene= een andere naam voor de god van de maan, Artemis). Hij lijkt ook nog eens op veel andere soorten zoals de zilvervlek of de duinparelmoervlinder waardoor hij lastig te herkennen kan zijn.

Deze vlindersoort is nu vrij zeldzaam, maar dat was niet altijd het geval. De zilveren maan kwam vroeg in de 20e eeuw nog algemeen voor in vochtige, moerasachtige gebieden, daar waar de waardplant van de rups, het moerasviooltje, groeit. De grootste populaties trof je aan in het veenweidelandschap tussen Utrecht en Zuid-Holland en Noordwest-Overijssel.

Pas sinds de jaren 40 nam het aantal populaties af. Rond de zestiger jaren kwam hij vrijwel uitsluitend in natuurgebieden voor. Met de tijd zijn de aantallen verder gedaald tot hoogstens vijftien populaties en daarom staat de soort aangeschreven als bedreigd. Bron is deze site.
Tijdens onze fotokuier in de Weerribben kruisten ook meerdere sprinkhanen ons pad.

Het is gelukt om er een aantal op de foto te zetten. Ik ben geen kenner van sprinkhanen, maar door te zoeken op internet probeerde ik er wel wat over te leren. De krasser is een soort die ik al wel kende. Het is een soort die zich graag verstopt voor de fotograaf.

In Nederland kennen we ongeveer 50 soorten die je makkelijk kunt leren kennen, zo wordt er geschreven op deze site. Maar ja als je net begint en tot dusver alleen twee namen kende dan is 50 wel heel veel. De site van Jan van Duinen gaf mij veel duidelijkheid over diverse soorten. Er zijn drie groepen sprinkhanen en dat zijn
1. Veldsprinkhanen
2. Sabelsprinkhanen
3. Doornsprinkhanen
De krasser behoort tot de groep van veldsprinkhanen. Op onderstaande foto houdt de krasser zich schuil in het hoge gras.
Tijdens de wandeling had ik ook een sprinkhaan vastgelegd waarvan ik pas op de computer leerde om wat voor soort het ging. Het was de moerassprinkhaan. Ook de moerassprinkhaan behoort tot de groep van veldsprinkhanen.
Ik wees mijn vriendin op de haagwinde (pispotjes) en vertelde haar dat deze plant een plaag is voor de rietteler. Op hetzelfde moment ontdekte ze twee sprinkhanen op de haagwinde. Het was een roodbruine en een witte sprinkhaan.

Via internet leerde ik dat we hier (volgens mij) te maken hebben met nimfen. Het zijn nog niet te determineren veldsprinkhanen.
We hoopten tijdens onze fotokuier in De Weerribben de grote vuurvlinder en de grote weerschijnvlinder te zien, maar dat feest ging niet door. Ik laat hier de vlinders zien die we wel tegenkwamen. Op onderstaande foto wandelden we over een pad waar naast het pad vele kale jonkers bloeiden. De kale jonkers werden druk bezocht door diverse vlinders.
Hieronder staan diverse vlinders. De namen staan bij hun foto vermeld.
De rups van een dagpauwoog kwam ik tegen op dezelfde dag dat ik de serie van de ijsvogel maakte. Deze rups krijgt vandaag een plekje op mijn weblog in deze serie met o.a. de dagpauwoog.

Het landkaartje in zomerkleed heb ik één keer zien vliegen en landden. Ik kon er slechts twee foto’s van maken.

Met een vriendin tevens (natuur)fotografe ging ik op vrijdag 3 juli op stap naar de Weerribben. Voor mij was het een thuiswedstrijd, maar voor mijn vriendin uit Drenthe waren dit nieuwe plekjes. We startten in het Woldlakebos.

We gingen specifiek op zoek naar libellen en wel naar witsnuitlibellen. Eigenlijk waren we aan de late kant, want het seizoen voor bijvoorbeeld de gevlekte witsnuitlibel loopt ten einde. Dat is dan ook wel te zien aan de slijtage aan de vleugels. Ze waren onrustig en lastig te fotograferen, ik heb er slechts eentje acceptabel op de foto kunnen krijgen.

Gewone oeverlibel, een vrouwtje.

Er vloog een paringsrad van libellen voorbij. Ze landden op het pad een eindje bij ons vandaan. Door in te zoomen met de bridgecamera kon ik ze vastleggen. Geen mooie ondergrond dan wel achtergrond, maar toch krijgt deze foto hier een plekje. Het lukt mij zelden om een paringsrad van libellen vast te leggen. Volgens mij gaat het hier om de gewone oeverlibel.

De libellensoort die we veelvuldig zagen vliegen was de bloedrode heidelibel en dan met name jonge mannetjes. Slecht één keer zag ik een volgroeid mannetje vliegen en landden. Gelukkig kon ik deze vastleggen. Tussen de libellen door heb ik ook nog een hommel en een paartje rode weekschildkevers (soldaatjes) vastgelegd.
Tot slot de ‘grote’ ogen van een lantaarntje.

De bewolking nam toe. De lucht zag er eventjes dreigend uit, maar we hielden het droog.

Aan het eind van onze wandeling troffen we toevallig wederom Marijke. De natuurfotografe uit Kalenberg. Nadat we een aantal wetenswaardigheden hadden uitgewisseld vervolgden we onze weg.
Wordt vervolgd.