Wie door het Drentse landschap wandelt of fietst, hoort het soms ineens: het heldere riedeltje van de geelgors. Voor mij is de geelgors onlosmakelijk verbonden met een verblijf in Drenthe. Telkens als ik hier ben, geniet ik van zijn herkenbare zang. Bij ons in de Kop van Overijssel heb ik ze nog nooit gehoord of gezien.

Drenthe is gebouwd op zand. Dat zie je terug in de lichte hoogteverschillen, de oude houtwallen, singels en kleine akkers die als een mozaïek door het landschap lopen. Tussen deze structuren liggen heidevelden, ruige bermen en overgangszones waar veen, heide en landbouwgebied elkaar raken. Het is precies het soort halfopen landschap waarin de geelgors zich thuis voelt: voldoende open ruimte om zijn zang te laten horen, genoeg beschutting om te schuilen en volop voedsel in de wat ruigere, rommelige randen van het landschap.



In mijn woonomgeving in de Kop van Overijssel is de wereld heel anders. Hier domineren moeras, rietlanden en open water. De Weerribben-Wieden is een paradijs voor roerdompen, libellen en purperreigers, maar voor de geelgors is het landschap simpelweg te nat en te open en biedt het te weinig variatie. Alleen langs de randen, waar de zandgronden voorzichtig terrein winnen, duikt de geelgors soms op. Maar echte populaties, zoals je die in Drenthe vindt, ontstaan hier nauwelijks.



De zang van de geelgors wordt vaak vergeleken met de beroemde openingstonen van Beethovens Vijfde Symfonie: het herkenbare kort-kort-kort-lang-motief. Veel vogelaars herkennen de zang dan ook meteen. Niet voor niets heeft de geelgors de bijnaam ‘Beethoven-vogeltje’ gekregen.

Op dat moment had ik geluk dat de geelgors ging opvliegen en kon ik dat per ongeluk op foto vastleggen.

















