Tijdens onze vakantie op Texel maakte ik een wandeling door De Muy, een rustig en bijzonder duingebied tussen De Koog en De Slufter. Deze keer begon ik mijn tocht aan de kant van De Koog.
In dit landschap staat een schapenboet die al van verre opvalt. Ik zoomde in op deze karakteristieke Texelse schapenboet.
Het landschap van De Muy bestaat uit hoge duinen, een langgerekte vlakte, weilanden en een duinmeer dat is ontstaan door stuifdijken. Het gebied ademt stilte en ongereptheid en is daardoor ideaal voor wandelaars en natuurliefhebbers die de drukte willen vermijden. De Muy staat bekend om zijn rijke flora en fauna: bijzondere planten zoals orchideeën en guichelheil groeien er, terwijl vogels als de nachtegaal, blauwborst en velduil er hun leefgebied vinden. Het meest opvallend is de aanwezigheid van de oudste lepelaarkolonie van het Waddengebied, die het gebied een unieke waarde geeft. Staatsbosbeheer beheert De Muy en laat onder andere Galloway-runderen grazen om het landschap open te houden.
Na een tijdje op het bankje van het uitzicht te hebben genoten, wandelde ik terug richting de auto. In de verte zag ik een groep spreeuwen badderen. Pas later, achter de computer, ontdekte ik dat er ook een aantal kramsvogels tussen zaten. Die leken echter geen liefhebbers van een verfrissend bad.
Ik neem jullie nog een keer mee naar het Haventje van Sil op Texel.
Het verhaal over dit haventje vertelde ik in dit bericht.
Ik nam plaats op de bank aan het einde van de grote pier. Daar trokken o.a. de volgende vogels aan mij voorbij: tureluurs, een rosse grutto’s en bonte strandlopers.
Plotseling zag ik tussen de stenen en paaltjes voor me een vogeltje scharrelen. Ter plekke kon ik het niet op naam brengen, maar thuis zou dat met behulp van ObsIdentify vast goed komen.
Even later kwam er een groep vogelaars aangelopen, begeleid door een gids. De gids vertelde ons dat de vogel die we zagen een oeverpieper was. Naast deze soort kennen we ook de waterpieper, die in ons land overwintert. Zowel de waterpieper als de oeverpieper zijn vrij algemene wintergasten in Nederland en België. De oeverpieper broedt in het noorden, met name in Engeland en Scandinavië, terwijl de waterpieper juist in zuidelijkere berggebieden van Midden-Europa voorkomt. Het onderscheid tussen de twee soorten is overigens niet eenvoudig te maken; ze lijken sterk op elkaar, aldus deze website.
En opnieuw sloeg het hart van menig vogelaar sneller, want er was een melding binnengekomen van de zeldzame Pallas’ boszanger op Texel.
De Pallas’ boszanger is een piepkleine, zeldzame zangvogel die vooral in Siberië broedt en in Zuidoost-Azië overwintert. In Nederland verschijnt hij slechts sporadisch als dwaalgast, meestal in de herfst. Het is net zo klein als de goudhaan en ook net zo snel. zeer beweeglijk en rusteloos, schiet snel door het bladerdak. Daardoor lastig te zien en vaak verward met de bladkoning. De soort werd in 1811 beschreven door de Pruisische natuuronderzoeker Peter Simon Pallas. Zowel de Nederlandse als Engelse naam verwijzen naar hem.
Het was moeilijk te raden waar de Pallas’ boszanger zich ophield. Een grote groep vogelaars stond naast het gebouw van de KNRM aandachtig naar het struikgewas te turen. Ik voegde me tussen hen, terwijl mijn man intussen een strandwandeling maakte.
Na een halfuurtje hield ik het voor gezien. De Pallas’ boszanger liet zich nog steeds niet zien, dus besloot ik de groep achter me te laten en naar het strand te wandelen. De veerdienst naar Vlieland was vanwege einde seizoen uit de vaart. Ik genoot van de wandeling over het strand. Al snel kwam ik mijn man tegen en wandelden we samen verder.
Toen we terug wandelden naar het pad tussen de duinen, viel mijn oog op een paddenstoel die onderaan de duin in het zand stond, bedekt met een laagje zand op de hoed. Op de linkerfoto heb ik het plekje gemarkeerd met een rood pijltje. Volgens Obsidentify zou het mogelijk de duinfranjehoed kunnen zijn. Maar wie het weet mag het zeggen. De duinfranjehoed is een kleine paddenstoel die vooral in de Nederlandse duinen voorkomt, vaak tussen het helmgras.
Op de parkeerplaats trof ik een mooie spreuk aan. Voordat we in de auto stapten richtte ik mijn camera op de vuurtoren en het omliggende landschap.
Vanaf de Opsterlandse Compagnonsvaart reden Jan en ik naar de Alde Ie bij Gorredijk. Het open landschap wordt hier bepaald door uitgestrekte weilanden, vele sloten en traditionele houten hekwerken. De weilanden aan weerszijden van de Alde Ie zijn ingericht als plasdrasgebied, speciaal aangelegd voor weidevogels. In de watergangen weerspiegelden de wolkenluchten, wat het gebied een bijzondere rust en ruimtelijkheid gaf.
Het klinkerweggetje dat door de Alde Ie loopt, is sinds 2012 afgesloten voor doorgaand gemotoriseerd verkeer. Deze maatregel werd destijds genomen vanwege de slechte staat van het weggetje en om de kwetsbare natuur te beschermen. Terwijl we daar stonden, kon ik me echter niet aan de indruk onttrekken dat het weggetje nog wel eens als sluiproute wordt gebruikt.
We parkeerden de auto aan het begin van de afgesloten weg. Bij een bankje gaf Jan een tweede demonstratie van de drone. Hij liet het toestel opstijgen vanaf de weg. Zittend op het bankje richtte hij zijn aandacht op het schermpje. Terwijl Jan de drone door het gebied stuurde, wandelde ik een stukje verder. Er gebeurde niet veel bijzonders, al maakten de grote groepen ganzen die in de weilanden neerstreken het landschap toch levendig.
Een tijdje was de drone volledig uit beeld en op grote hoogte zelfs niet meer te horen. Nadat Jan het gebied naar meerdere kanten had verkend, liet hij het toestel weer dalen en terugkeren in onze richting. Even later landde de drone keurig op precies dezelfde plek als waar hij was opgestegen. Dat doet het apparaat overigens automatisch, dus die laatste precisie is niet zozeer aan de piloot te danken. 😉
Het was inmiddels al later in de middag en voor ons tijd om terug te keren naar Aafje en de koffie. Ik sluit deze serie af met een foto van bloeiend koolzaad en een foto van ragfijne draden tussen de herfstbladeren.
Eerder op de dag waren mijn man en ik samen bij het Haventje van Sil; toen was het nog vloed. Later op de dag besloot ik bij eb nog eens terug te gaan, in de hoop andere vogels te zien, misschien zelfs wat dichterbij terwijl ze foerageerden. Samen met de twee onbekende dames nam ik plaats op het bankje aan het uiteinde van de pier. In stilte genoten we van het uitzicht en de ontelbare vogels op het Wad.
Door een reactie van Pedro kwam ik op het idee om hier te vertellen waarom deze haven het Haventje van Sil wordt genoemd. De haven is vernoemd naar Sil Boon, de schipper van De Vriendschap, de boot die jarenlang tussen Texel en Vlieland voer.
De oorspronkelijke haven van Cocksdorp werd ooit aangelegd voor de aanvoer van bouwmateriaal. Nadat de polder van Eierland was drooggevallen, kreeg de haven een nieuwe functie: die van thuishaven van de postboot naar het Posthuys. Toen deze dienst stopte, raakte de haven langzaam in verval. In de jaren tachtig en negentig knapte strandjutter en reder Sil Boon de noordelijke aanlegsteiger weer op. Zo kreeg de haven zijn naam én een tweede leven.
Wat ik al had gehoopt, gebeurde: een grote groep smienten kwam al foeragerend steeds dichterbij.
Ze deden zich tegoed aan de rijkgevulde dis, met zeewier als hoofdgerecht.
Tussen de smienten foerageerden de wilde eend en de wintertaling.
Jan stelde voor om een ritje langs de Opsterlandse Compagnonsvaart te maken, omdat we daar vast prachtige weerspiegelingen zouden kunnen vastleggen. En inderdaad: even later vonden we op meerdere plekken schitterende reflecties van mooie optrekjes, omringd door warme herfstkleuren.
De Opsterlandse Compagnonsvaart werd vanaf 1630 aangelegd voor het vervoer van turf uit de Friese veengebieden. Het was een grootschalig project van maar liefst 34 kilometer, dat bijna twee eeuwen vergde om volledig te voltooien. Tegenwoordig heeft de vaart vooral een recreatieve functie en vormt ze een sfeervol onderdeel van de Turfroute.
Dwars op de Compagnonsvaart liggen diverse kleinere kanalen, wat op Google Maps mooi te zien is. Bij elk kanaal staat een naambordje, zoals bij de Limoeiswyk. De naam eindigt op wyk: een wyk is een klein zijkanaal dat vanuit een hoofdvaart werd aangelegd om turf af te voeren. Deze dwarskanalen zijn met een duiker verbonden aan de hoofdvaart en daardoor niet per boot bereikbaar.
Tijdens de Turfroute kom je negen sluizen tegen, die ieder voor zich een relatief klein verval hebben van 0,8 tot 1,5 meter. Wij maakten een tussenstop bij het Wijnjeterpverlaat, waar het verval 1,17 meter bedraagt. Opmerkelijk is dat deze sluis nog steeds handmatig wordt bediend – een zeldzaamheid in een tijd waarin vrijwel alles geautomatiseerd is. De sluis werd in 1785 oorspronkelijk in hout gebouwd, maar al in 1803 vervangen door een stenen exemplaar. In 1891 volgde een volledige vernieuwing, waardoor de sluis het karakter kreeg dat je vandaag de dag nog steeds herkent.
Leuk om te vermelden is dat ik de Turfroute al kende uit mijn jeugd. Mijn ouders waren brugwachter en hadden daardoor verschillende kennissen met een pleziervaartuig. Van één van hen mochten we eens een boot lenen, waarmee we een week op vakantie gingen. Tijdens die tocht voeren we onder andere deze route. Ik was destijds een jaar of twaalf en bracht een groot deel van de reis aan het roer door. Ik vond het geweldig om te doen en het ging me verrassend goed af. Dat kon in die tijd allemaal nog; minimumleeftijden en vaarbewijzen bestonden toen nog niet.
Vandaag pak ik de draad weer op met onze fotokuier van vorige week vrijdag. Vanaf het bos bij Heidehuizen reden Jan en ik door naar onze volgende bestemming. Onderweg kwamen we langs de kerk van Wijnjewoude, waar een boompje met prachtige, kleurrijke herfstbladeren ons uitnodigde om even rond te kijken. Jammer genoeg liet de beloofde zon zich op dat moment nog niet zien.
Naast de kerk staat een opvallend grote klokkenstoel. Met maar liefst drie klokken is het de grootste van Friesland – en mogelijk zelfs van heel Nederland, al wordt dat laatste nergens expliciet bevestigd. Jan besloot op het bankje bij de kleurrijke boom te blijven zitten, terwijl ik richting de klokkenstoel liep om er een fotoserie van te maken. Precies op dat moment maakte de bewolking ruimte voor de zon. Het was bijzonder om te zien hoe snel er weer stukken blauwe lucht verschenen. De zon raakte precies één van de ramen van de kerk, wat er gelijk uitsprong.
Friesland heeft veruit de meeste klokkenstoelen van ons land. De keuze voor een klokkenstoel in plaats van een klok in een toren had verschillende redenen. In veel dorpen speelde armoede een grote rol: een stenen toren was kostbaar om te bouwen én te onderhouden, terwijl een eenvoudige houten klokkenstoel een veel betaalbaarder alternatief vormde. Daarnaast was de drassige veengrond in delen van Friesland niet geschikt om het zware gewicht van een toren te dragen. Een lichte houten constructie was in zulke omstandigheden veel praktischer. Tot slot kwam het voor dat bestaande kerktorens in verval raakten of moesten worden afgebroken. Om toch klokken te kunnen luiden bij begrafenissen, kerkdiensten en andere plechtigheden, plaatste men dan een klokkenstoel.
Zoals wel vaker rust deze klokkenstoel op een fundament van zwerfkeien. Op internet vond ik de volgende gegevens over de historie en restauratie:
1723 – Eerste vermelding van een klokkenstoel met één klok. 1775 – Uitbreiding naar drie klokken (gegoten in 1768, 1772 en 1822). 1908 – De klokkenstoel werd herbouwd. 1984 – De klokkenstoel uit 1908 werd gesloopt en volledig vernieuwd. Dit geldt als de laatste grote restauratie van de houten constructie zelf. 2015 – De drie klokken zijn afzonderlijk gerestaureerd door een gespecialiseerd bedrijf. Ze kregen nieuwe luidassen van zwaar Bilinga-hout en werden teruggeplaatst in de klokkenstoel.
In Wijnjewoude worden de klokken nog altijd met de hand geluid. Het luiden van drie klokken tegelijk is een kunst op zich en vereist de nodige oefening. Deze traditionele manier van luiden komt tegenwoordig nauwelijks meer voor en vindt haar oorsprong in de middeleeuwen. De klokken laten een zogenaamd Te Deum-motief horen: een herkenbare melodie die ontstaat door het samenspel van de slagen. Voor iedere kerkdienst wordt er gedurende vijf minuten geluid.
Op deze website van de Hervormde Gemeente in Wijnjewoude kun je er alles over lezen. Hieronder staat een filmpje van het klokkenluiden. Na de start van het luiden vallen de klokken na ongeveer twee minuten in de juiste cadans. Heel bijzonder om te horen.
Het is een mooie omgeving met idyllische huizen. Uitslapen zit er voor de bewoners in de buurt waarschijnlijk niet in, want op zondagochtend worden ze vast tijdig door het klokkenluiden gewekt.
Toen ik weer terug was bij Jan werd het boompje volop beschenen door de zon. Ook de ganzen kwamen tot leven en trokken in grote groepen door het luchtruim. En wij stapten in de auto naar de volgende bestemming.
Het Haventje van Sil, net buiten De Cocksdorp, is voor mij een van de mooiste plekken van Texel. Een klein, buitendijks paradijsje vol rust en karakter.
Het weidse uitzicht, de zilte geur van het Wad en de eindeloze zwerm vogels, hier zie en voel je echt hoe bijzonder Texel is.
Een kleine compilatie van de vogels. Een kokmeeuw in winterkleed met op de voorgrond een bonte strandloper. Een kokmeeuw in vlucht. Een zilvermeeuw met een krabbetje. Een aalscholver die zijn verenkleed liet drogen.
De herfstvakantie bracht een onverwachte en opwindende wending toen de zeldzame giervalk zich liet zien. Dit majestueuze roofdier liet het hart van menig vogelaar sneller kloppen. De komst van de giervalk was zelfs groot nieuws en haalde landelijke media. Hoewel er meer zeldzame vogelsoorten werden gespot, stond de giervalk zonder twijfel bovenaan de lijst. Een indrukwekkende waarneming die voor veel vogelenthousiastelingen een hoogtepunt van het seizoen was.
Mijn man en ik besloten een bezoek te brengen aan de Slufter, omdat dat daar de giervalk het meeste werd waargenomen en er een recente melding was. Zoals jullie misschien weten, ben ik een enthousiaste amateurvogelaar en heb ik gelukkig geen last van ‘vogelkoorts’. Toch kon ik het niet laten om deze unieke kans te grijpen en te proberen de giervalk zelf te spotten, nu we toch in de buurt waren.
Toen ik de andere vogelaars zag terugwandelen, behangen met telescoopkijkers en telelenzen, had ik al het gevoel dat ik te laat was. En helaas, dat bleek te kloppen: de giervalk was inmiddels al vertrokken en was naar de duinen, nabij de vuurtoren, gevlogen. Een gemiste kans.
Tijdens die week leerde ik een belangrijke les: er is een groot verschil tussen het horen van een waarneming en de vogel daadwerkelijk zien, laat staan kunnen fotograferen. Vogelaars zijn vaak uitgerust met telescoopkijkers waarmee ze enorm kunnen inzoomen. En dan maken ze met hun telefoon een foto door die kijker. Met mijn 600 mm lens kan ik daar simpelweg niet tegenop. Het laat zien hoe geavanceerd de techniek van sommige vogelaars kan zijn – en hoeveel geduld er soms nodig is om die perfecte foto te maken.
Ook deze keer ben ik weer dankbaar voor Jorrit, die de giervalk wél heeft weten te fotograferen en zijn indrukwekkende plaatje op Instagram plaatste. Dankzij hem kan ik toch nog genieten van het moment, zelfs al stond ik zelf net te laat op de juiste plek.