Bij de expositie van Jennegien Elzinga werd ik getipt over de plek waar zij is geboren en opgegroeid. En zo reed ik even later naar het Oosterse Bos. Ik wist niet precies waar Jennegien had gewoond, maar parkeerde mijn auto op een idyllische plek tussen historische boerderijen. Eerst maakte ik een fotoserie van een zelfbedieningsrestaurant.



Even later wandelde ik langs de historische boerderijen. Deze boerderijen zijn aangewezen als rijksmonument en dateren uit de periode tussen ongeveer 1750 en 1850. De oudste delen bestaan uit 18e-eeuwse gebinten en vakwerkconstructies. Veel woonhuizen zijn in de 19e eeuw versteend of uitgebreid. Hierdoor is een bijzonder goed bewaard gebleven boerenlandschap uit de ontginningsperiode van Schoonebeek ontstaan. De boerderijen zijn groot, waarbij het achterhuis vaak is verbouwd en geschikt is gemaakt voor dubbele bewoning.





Een van de boerderijen zocht ik op internet op. Bij deze boerderij wordt vooral de schuur geroemd: “Op het erf kenmerkende uit steen en hout opgetrokken SCHUUR met 18e-eeuws ankerbalkgebint en eiken sporenkap en jonger 19e-eeuws stalgedeelte met windveren en toef, tegen rechte geveltoppen, bekleed met hei en riet respectievelijk hout;...“
Wonen in een rijksmonument is voor veel mensen een mix van trots en schoonheid. Je woont letterlijk in de geschiedenis. Maar het brengt ook verantwoordelijkheid en soms ook gedoe met zich mee. Het onderhoud is vaak specialistisch en daardoor duurder. Denk aan vakwerk, riet, eiken gebinten en traditionele ambachtelijke technieken. Ook kun je niet zomaar alles aanpassen: kozijnen vervangen, muren slopen of het dak veranderen is bij een rijksmonument niet zonder meer toegestaan.


De nokken van de rieten daken in het Oosterse Bos worden vrijwel altijd zonder nokpannen gemaakt. Wat je hier ziet, is een rietgedekte nok, meestal afgewerkt met een smalle rietrol die met wilgentenen of roestvrij, en in dit geval met staaldraad, wordt vastgezet.
Ook de bijzondere gevelstenen en het metselwerk vallen op. Het lint van boerderijen werd eeuwenlang gevormd door families die zelf bouwden of lokale metselaars inschakelden. Daardoor zie je metselwerk dat nooit ‘fabrieksstrak’ is, maar altijd een beetje levendig. Kleine variaties in steenmaat en subtiele verschillen in kleur, soms ontstaan door verschillende bouwfasen, geven iedere boerderij zijn eigen karakter.


Ik sprak daar een bewoner die een praatje met mij kwam maken toen ik stond te fotograferen. Ik mocht ook even een kijkje achter het huis nemen. Daar stond dit authentieke huisje. Aanvankelijk dacht ik dat het een bakhuisje was, maar het ontbreken van een schoorsteen spreekt dat tegen. Mogelijk werd het gebruikt voor de opslag van gereedschap of als onderkomen voor klein vee, zoals varkens of kippen of voor turf of hooi.
