De holwortel en de hommel

Vandaag zoomen we in op de holwortel, ook wel kloosterkruid genoemd. De holwortel is een vroege lentebloeier. In maart/april kleurt het landgoed Dickninge rozerood en wit door de bloeiende holwortel. Het groen/blauwig blad bedekt de bodem. De holwortel is een plant uit de papaverfamilie (Papaveraceae). De naam holwortel heeft de plant te danken aan het feit dat de ondergrondse knol van binnen hol is. De botanische naam Corydalis is afgeleid van het Griekse woord korydalis wat kuifleeuwerik betekent. Daarmee een overeenkomst aangevend op de bloem van de holwortel. Cava betekent hol, wat duidt op de holle knol. De holwortel is inheems in Midden-, Oost-, en Zuid-Europa. In Nederland en België is de holwortel aangeplant en verwilderd, mogelijk nog wild aan de uiterste oostgrens van Nederland en elders een kweekplant. Daarom hoort de holwortel ook tot de stinsenplanten.

De spoor van de bloem steekt ongeveer tot 12 millimeter over de bloemsteel uit. In het achterste deel van de spoor zit de honig. Omdat de spoor zo lang is kunnen alleen de insecten erbij met een lange tong of snuit (sachembij, wolzwevers of vlinders) tot achterin het spoor komen. De aardhommel bijvoorbeeld (Bombus terrestris) is te groot voor de nauwe bloem en bijt ter hoogte van de knik, gewoon een gaatje om bij de nectar achterin de spoor te komen. En zo kunnen meerdere bijen (de honingbij o.a.) bij de honing. De bijen die niet in de ´buis´ passen, proberen het eerst wel. Doordat ze landen op de onderste lip buigt deze een beetje door. De meeldraden en de stamper komen vrij en laten stuifmeel op het insect los. Het insect vliegt naar een andere holwortel voor nectar en zorgt zo voor kruisbestuiving. Althans zo hoort het te gaan aldus deze site.

Op de dag dat ik daar aan het fotograferen was, was de temperatuur nog niet hoog. Er vlogen dan ook nauwelijks insecten rond de bloemen van de holwortel. Gelukkig vlogen er een handjevol hommels die ik vervolgens bestookte met mijn macrolens. Ik heb deze keer een wat grotere scherpte/diepte gehanteerd in de hoop ze vliegend vast te kunnen leggen. Dat viel nog niet mee, omdat er bij zoveel bloemetje altijd maar weer afwachten is welke kant ze opvliegen. En zo gebeurde  het dat de hommel al bijna het beeld was uitvlogen voordat ik hem had vastgelegd.

Een aantal keren lukte het toch om ze in vlucht vast te leggen.

Hommels zijn goede bestuivers die ook vliegen bij minder gunstige weersomstandigheden, terwijl honingbijen enkel vliegen bij temperaturen boven de 12°C. Hommels vliegen van zonsopgang tot zonsondergang. Hun hele levenscyclus is afhankelijk van het stuifmeel en nectar uit bloemen voor hun voedsel. Bloemenstuifmeel bevat veel eiwitten en nectar veel suikers. Nectar geeft dan ook aan bijen en hommels energie om te kunnen vliegen. Maar stuifmeel en nectar dienen ook als voedsel voor hun larven. Voor het transport ervan naar het nest, hebben de vrouwtjes aan de achterpoten speciale stuifmeelkorfjes (corbicula), die we ook terugvinden bij de honingbij. De hommels die bij de bloemen van de holwortel rondvlogen hadden geen stuifmeelkorfjes aan hun poten. Hoe dat komt daar kom ik zo op terug.

Er zijn hommelsoorten met middellange of korte tongen, zoals de Aardhommel (Bombus terrestris) en de Weidehommel (Bombus pratorum). Hun tong is ongeveer even lang als die van een honingbij. Om toch bij diepliggende nectar te geraken, gaan ze op roverstocht en breken in in de bloem. Ze bijten een gaatje in de zijkant van de lange kroonbuis en steken daardoor hun tong om zo toch van de nectar te kunnen drinken.

Deze dieventruc is nadelig voor de bloem, want de zoete nectar wordt geroofd zonder dat er bestuiving heeft plaatsgevonden.  “Diefstal na inbraak” noemde de bekende veldbioloog J.P. Thijsse (1865-1945) dit gedrag. En dat verklaart waarom deze hommels geen stuifmeelkorfjes aan de achterpoten hadden. Ze waren bezig met hun dieventruc.

Onderzoekers van de Royal Society B. in Engeland  toonden nu aan dat bijen en hommels het nectarroven van elkaar aanleren en als het ware ‘leren stelen’. De ‘leerling-dieven’ gaan daarna ook zelf gaatjes bijten in de bloemkroon om de nectar te kunnen bemachtigen. Van deze inbraakgaatjes maken ook andere nectarzuigende insecten, zoals zweefvliegen, kevers en vlinders dankbaar gebruik om op een eenvoudige manier aan nectar te kunnen komen. Deze informatie heb ik van deze site van Nature Today.

En tot slot nog een foto van de bosanemoon.

Holwortel bij landgoed Dickninge

In deze tijd van het jaar bloeit de holwortel. Toen het afgelopen dinsdag zo mooi weer was besloot ik met de camera’s en een lunchpakket naar landgoed Dickninge te rijden.

Op het landgoed staan wel duizenden planten in bloei. Gelukkig waren er maar een handjevol mensen die daar ook een wandelingetje maakten. Fotografen zoals ik waren helemaal niet aanwezig. Gelukkig. Over de holwortel, ook wel het kloosterkruid genoemd kun je op deze site alles lezen.

De rijke geschiedenis van landgoed Dickninge wordt op deze pagina beschreven.

Tijdens mijn wandeling over het landgoed hoorde ik veelvuldig het ‘trrrrrrrrr’ van twee spechten. Het was net alsof ze met elkaar communiceerden. Ondanks mijn speurwerk lukte het maar niet om ze te vinden totdat ik er eentje zag neerstrijken op de stam. Helaas net achter een tak. Ook hoorde ik meerdere malen het geluid van een groene specht. De specht maakt dit ‘lachend’ geluid tijdens de vlucht. Ik ken dat geluid goed omdat er vlakbij onze tuin ook een groene specht zetelt. Tijdens het speuren naar de bonte specht zag ik per ongeluk een groene specht. De specht zat ver weg en ik moest flink inzoomen.

Toen ik bezig was met het fotograferen van de holwortel zag ik boven mijn hoofd iets kleins bewegen. Het was een staartmeesje. Ik heb in de winter in onze tuin wel eens een groepje staartmeesjes vastgelegd, maar een staartmeesje vastleggen in de natuur was voor mij de eerste keer.

Morgen zoomen we in op de holwortel, de hommels en de bosanemoon.