Grutto’s in De Mieden

Nu had ik inmiddels wel de wulp en de kemphaan  vastgelegd, maar  de Kening fan ‘e Greide had ik nog niet mooi voor de lens gekregen. Van mijn fotomaatje leerde ik een plekje waar ze met alle waarschijnlijkheid wel zouden zitten, maar ik wist niet hoe daar te komen. Door de corona-crisis zijn Jan en ik een tijdje niet samen op stap geweest. Omdat ik onbeschermd zorg verleen ben ik veel te bang om Jan te besmetten met het virus. Eind vorige week hebben we daar een oplossing voor bedacht. We zijn toen voor het eerst weer ‘samen apart’ op stap geweest. Voorzien van onze eigen koffie en broodjes zijn we in twee aparte auto’s naar het plas-drasgebied, De Mieden gereden. Daar parkeerden we onze auto’s in de berm en nestelden we ons op onze klapstoeltjes ruim drie meter van elkaar aan de rand van het plas-drasperceel.

Dat we daar eersterangs zaten dat werd al snel duidelijk, een paar grutto’s foerageerden geruime tijd binnen een acceptabele afstand van onze camera’s.

Terwijl wij onze camera’s veelvuldig lieten klikken foerageerden ze rustig door.

Het was een feest om daar te zijn. Het was prachtig weer. Terwijl we tussen het fotograferen bij praatten over allerlei zaken klonk er op de achtergrond het grote orkest van weidevogels.

Met zijn fiere hals en ferme snavel mag deze vogel met recht de Kening van de Greide worden genoemd.

Ik heb ook een filmpje gemaakt van de grutto’s.

 

 

 

Kemphanen aan de Alde Ie

Vlak voordat ik de wulpen had vastgelegd zag ik een kemphaan eenzaam in het water staan. De kemphaan keek wel meerdere malen mijn kant op, maar bleef toch langere tijd staan.

Nadat ik voldoende foto’s had gemaakt wandelde ik verder over het landweggetje.

Een eindje verderop was een groep kemphanen druk aan het foerageren.

Ik streek neer in de berm, steunde met mijn ellebogen op de knieën en zoomde in op de kemphanen.

Ik heb er volop van genoten.

 

Wulpen aan de Alde Ie

Zodra ik in het vroege voorjaar het eerste riedeltje van de wulp hoor dan maakt mijn hart een sprongetje van blijdschap. ‘Gelukkig ze zijn er weer’, denk ik dan. Het mooie weer is in aantocht. Al jaren zit er in de weilanden van onze achterburen een paartje wulpen. Het is me nog niet gelukt om ze daar vast te leggen. Het gezang van de wulp doet me denken aan vroeger, aan de keren dat ik met mijn vader meeging naar het rietland. De wulp met zijn gezang was toen nog volop aanwezig. Volgens mij is het nu de zeldzaamste weidevogel.

Afgelopen week ging ik naar een plas-drasgebied in Fryslân en wel naar de Alde Ie. Zie Google Maps. Ik heb dit gebied leren kennen door mijn fotomaatje, Jan. Ik hoopte daar weidevogels te zien en te fotograferen. Ik parkeerde mijn auto en ging te voet verder. Deze weg is sinds een aantal jaren afgesloten voor auto’s.

Aan weerszijden van de weg zijn weilanden veranderd in plas-draslanden. Ik hoorde grutto’s, kieviten, scholeksters en wulpen.

Na een eindje wandelen zag ik in het weiland een vogel staan. Toen ik inzoomde met de Nikon bridgecamera zag ik dat het een wulp was.

Ik liep naar een hek en liet mijn camera rusten op een paal, zo kon ik nog verder inzoomen op de wulp. Het duurde maar even en daar kwam ook een tweede wulp aangevlogen.

Ik was blij dat ik de wulp zag en kon vastleggen.

Winterkoninkje drinkt uit een vennetje

Vanaf de ooievaars wandelde ik via een omweg terug naar Huize Havixhorst. Ik kwam langs een vennetje.

In het vennetje dreef een grote tak. Op die tak hipte een winterkoninkje heen en weer. Onderwijl nipte het vogeltje water uit het vennetje.

Ik maakte enkele foto’s van het vlugge vogeltje. Jammer dat de autofocus van een bridgecamera de snelle beweging van het water nippen niet goed kon volgen. Die foto is dan ook niet scherp geworden. Maar voor het beeld heb ik de foto er wel tussen gezet.

Ooievaars op De Lokkerij

Vanaf landgoed Dickninge reed ik naar het verderop gelegen landgoed Havixhorst. Daar parkeerde ik de auto om te voet verder te gaan naar het ooievaarsbuitenstation ‘De Lokkerij’. Daar aangekomen werd ik overweldigd door zoveel ooievaars en ooievaarsnesten.

Bijna in iedere boom zit wel een ooievaarsnest. Verder is elk hoog plekje rond en op de boerderij bezet. Naast die natuurlijke plekjes staan er nog vele palen opgesteld waarop de ooievaars hun nest kunnen bouwen.

Door de bosschage fotografeerde ik het authentieke voorhuis. In het achterhuis bevindt zich het ooievaarsstation. De naam: ‘De Lokkerij’ dankt zijn naam aan de familie Lokken, die generaties lang het boerenbedrijf uitoefende. Lokkerij betekent dus: ‘de boerderij van Lokken.’

De ooievaars vlogen af en aan. Ik kan nu tijdens de corona-crisis wel stellen dat bij dit ooievaarsstation meer vliegbewegingen worden waargenomen dan bij de vliegvelden.  Als de ooievaar met nestmateriaal bij het nest kwam dan werd hij of zij dankbaar verwelkomd met een luid geklepper.

Het viel nog niet altijd mee om de snelle, laagvliegende ooievaars vast te leggen.

Ze toonden elkaar hun genegenheid door met hun snavel elkaar aan te raken. Of de ene ooievaar boog voor de ander de kop en zette een volle borst op. Ook maakte ik een aantal keren een paring mee.

Nadat ik mijn fotosessie had beëindigd trof ik de eigenaar buiten bij de brievenbus. Op grote afstand stelde ik hem een paar vragen. Hij vertelde dat er 51 nesten bezet zijn. Van de ongeveer 100 ooievaars blijven er 25 hier overwinteren. Het gaat goed met het aantal ooievaars, maar over de kwaliteit van de ooievaars is men wel bezorgd. Dat komt door de intensieve landbouw en dat er niet altijd genoeg voedsel te vinden is. Op internet vond ik meer informatie over de ooievaars  op het station.

Er moest ook eten worden verzameld. Dit haalden ze bijvoorbeeld in de naastgelegen weilanden. Het jaar 2019 was een uitzonderlijk jaar. Dat kwam door de klimatologische omstandigheden. Door de droogte konden de ooievaars heel moeilijk voedsel vinden voor hun jongen. Met als gevolg dat er opvallend veel grotere dode jongen onder de nesten werden gevonden.

Nest 5 wordt nog steeds bewoond door de oudste ooievaars op het station. Ze zijn beide 35 jaar oud. Zij hebben dit nest sinds 1990 permanent bewoond. Er wordt de laatste jaren nog wel eens een ei geproduceerd, maar dat vinden ze meestal na enige tijd onder het nest op de grond. Het laatste geslaagde broedsel was in 2013. In de 23 jaren met broedsel brachten zij 47 jongen groot. Bron is de site van De Lokkerij.

Er zijn ook ooievaars die een plekje in een boom te gewoontjes vonden en verkozen een elitair plekje op huize Havixhorst. Twee van de vier schoorsteenkappen zijn bezet. Ze maakten hun nest op de puntvormige schoorsteenkap, een knap staaltje bouwkunde.

Ik heb meerdere filmpjes gemaakt. Die filmpjes heb ik aaneengesmeed tot een film van ruim 4 minuten.

 

De holwortel en de hommel

Vandaag zoomen we in op de holwortel, ook wel kloosterkruid genoemd. De holwortel is een vroege lentebloeier. In maart/april kleurt het landgoed Dickninge rozerood en wit door de bloeiende holwortel. Het groen/blauwig blad bedekt de bodem. De holwortel is een plant uit de papaverfamilie (Papaveraceae). De naam holwortel heeft de plant te danken aan het feit dat de ondergrondse knol van binnen hol is. De botanische naam Corydalis is afgeleid van het Griekse woord korydalis wat kuifleeuwerik betekent. Daarmee een overeenkomst aangevend op de bloem van de holwortel. Cava betekent hol, wat duidt op de holle knol. De holwortel is inheems in Midden-, Oost-, en Zuid-Europa. In Nederland en België is de holwortel aangeplant en verwilderd, mogelijk nog wild aan de uiterste oostgrens van Nederland en elders een kweekplant. Daarom hoort de holwortel ook tot de stinsenplanten.

De spoor van de bloem steekt ongeveer tot 12 millimeter over de bloemsteel uit. In het achterste deel van de spoor zit de honig. Omdat de spoor zo lang is kunnen alleen de insecten erbij met een lange tong of snuit (sachembij, wolzwevers of vlinders) tot achterin het spoor komen. De aardhommel bijvoorbeeld (Bombus terrestris) is te groot voor de nauwe bloem en bijt ter hoogte van de knik, gewoon een gaatje om bij de nectar achterin de spoor te komen. En zo kunnen meerdere bijen (de honingbij o.a.) bij de honing. De bijen die niet in de ´buis´ passen, proberen het eerst wel. Doordat ze landen op de onderste lip buigt deze een beetje door. De meeldraden en de stamper komen vrij en laten stuifmeel op het insect los. Het insect vliegt naar een andere holwortel voor nectar en zorgt zo voor kruisbestuiving. Althans zo hoort het te gaan aldus deze site.

Op de dag dat ik daar aan het fotograferen was, was de temperatuur nog niet hoog. Er vlogen dan ook nauwelijks insecten rond de bloemen van de holwortel. Gelukkig vlogen er een handjevol hommels die ik vervolgens bestookte met mijn macrolens. Ik heb deze keer een wat grotere scherpte/diepte gehanteerd in de hoop ze vliegend vast te kunnen leggen. Dat viel nog niet mee, omdat er bij zoveel bloemetje altijd maar weer afwachten is welke kant ze opvliegen. En zo gebeurde  het dat de hommel al bijna het beeld was uitvlogen voordat ik hem had vastgelegd.

Een aantal keren lukte het toch om ze in vlucht vast te leggen.

Hommels zijn goede bestuivers die ook vliegen bij minder gunstige weersomstandigheden, terwijl honingbijen enkel vliegen bij temperaturen boven de 12°C. Hommels vliegen van zonsopgang tot zonsondergang. Hun hele levenscyclus is afhankelijk van het stuifmeel en nectar uit bloemen voor hun voedsel. Bloemenstuifmeel bevat veel eiwitten en nectar veel suikers. Nectar geeft dan ook aan bijen en hommels energie om te kunnen vliegen. Maar stuifmeel en nectar dienen ook als voedsel voor hun larven. Voor het transport ervan naar het nest, hebben de vrouwtjes aan de achterpoten speciale stuifmeelkorfjes (corbicula), die we ook terugvinden bij de honingbij. De hommels die bij de bloemen van de holwortel rondvlogen hadden geen stuifmeelkorfjes aan hun poten. Hoe dat komt daar kom ik zo op terug.

Er zijn hommelsoorten met middellange of korte tongen, zoals de Aardhommel (Bombus terrestris) en de Weidehommel (Bombus pratorum). Hun tong is ongeveer even lang als die van een honingbij. Om toch bij diepliggende nectar te geraken, gaan ze op roverstocht en breken in in de bloem. Ze bijten een gaatje in de zijkant van de lange kroonbuis en steken daardoor hun tong om zo toch van de nectar te kunnen drinken.

Deze dieventruc is nadelig voor de bloem, want de zoete nectar wordt geroofd zonder dat er bestuiving heeft plaatsgevonden.  “Diefstal na inbraak” noemde de bekende veldbioloog J.P. Thijsse (1865-1945) dit gedrag. En dat verklaart waarom deze hommels geen stuifmeelkorfjes aan de achterpoten hadden. Ze waren bezig met hun dieventruc.

Onderzoekers van de Royal Society B. in Engeland  toonden nu aan dat bijen en hommels het nectarroven van elkaar aanleren en als het ware ‘leren stelen’. De ‘leerling-dieven’ gaan daarna ook zelf gaatjes bijten in de bloemkroon om de nectar te kunnen bemachtigen. Van deze inbraakgaatjes maken ook andere nectarzuigende insecten, zoals zweefvliegen, kevers en vlinders dankbaar gebruik om op een eenvoudige manier aan nectar te kunnen komen. Deze informatie heb ik van deze site van Nature Today.

En tot slot nog een foto van de bosanemoon.

Holwortel bij landgoed Dickninge

In deze tijd van het jaar bloeit de holwortel. Toen het afgelopen dinsdag zo mooi weer was besloot ik met de camera’s en een lunchpakket naar landgoed Dickninge te rijden.

Op het landgoed staan wel duizenden planten in bloei. Gelukkig waren er maar een handjevol mensen die daar ook een wandelingetje maakten. Fotografen zoals ik waren helemaal niet aanwezig. Gelukkig. Over de holwortel, ook wel het kloosterkruid genoemd kun je op deze site alles lezen.

De rijke geschiedenis van landgoed Dickninge wordt op deze pagina beschreven.

Tijdens mijn wandeling over het landgoed hoorde ik veelvuldig het ‘trrrrrrrrr’ van twee spechten. Het was net alsof ze met elkaar communiceerden. Ondanks mijn speurwerk lukte het maar niet om ze te vinden totdat ik er eentje zag neerstrijken op de stam. Helaas net achter een tak. Ook hoorde ik meerdere malen het geluid van een groene specht. De specht maakt dit ‘lachend’ geluid tijdens de vlucht. Ik ken dat geluid goed omdat er vlakbij onze tuin ook een groene specht zetelt. Tijdens het speuren naar de bonte specht zag ik per ongeluk een groene specht. De specht zat ver weg en ik moest flink inzoomen.

Toen ik bezig was met het fotograferen van de holwortel zag ik boven mijn hoofd iets kleins bewegen. Het was een staartmeesje. Ik heb in de winter in onze tuin wel eens een groepje staartmeesjes vastgelegd, maar een staartmeesje vastleggen in de natuur was voor mij de eerste keer.

Morgen zoomen we in op de holwortel, de hommels en de bosanemoon.

Rietland zonder vliegtuigstrepen

Nadat ik het kammen van riet had vastgelegd wandelde ik verder door het rietland.

Tussendoor genoot ik van de mooie blauwe lucht met hier en daar een wolkje. En waar ik nog het meest van genoot was het feit dat er geen vliegtuigstreep was te zien.

Op dat stukje waar ik me alleen op de wereld waande dacht ik terug aan vroeger. Aan de tijd dat ik met mijn vader meeging naar het riet. Aan de tijd dat ik in de ruigte (afval) ging liggen en naar boven keek en genoot van de mooie wolkenluchten. Nadat ik in alle rust had genoten van de stilte, de warme herinneringen, de geur en  het uitzicht wandelde ik weer terug naar Klaas Jan. Klaas Jan had net een dikke bos riet klaar.

Deze dikke bos riet bracht hij naar de slee. Een bos riet weegt al snel 30 kilo. Ook dit is dus een zware klus.

Terwijl Klaas Jan en Sander een korte pauze namen en iets gingen drinken wandelde ik in alle rust richting naar de auto.

Op onderstaande foto zie je goed het verschil tussen een perceel wat wel of niet wordt gemaaid. Als een perceel niet wordt gemaaid dan komen er steeds meer boompjes te staan en ontstaat er het zogenaamde broekbos. Het maaien van de rietlanden is niet alleen voor het oogsten van het riet, het is ook belangrijk voor het onderhoud van de natuur. Rietlanden herbergen speciale flora en fauna. De grote vuurvlinder is daar het mooiste voorbeeld van. De grote vuurvlinder heeft in de rietvelden zijn waardplant Het is de enige plek in Europa waar deze vlinder nog voorkomt. Rietsnijders zijn dus onontbeerlijk voor een goed natuurbeheer. Zie ook op deze site.