De bijzondere gast die ook een bezoek bracht aan de Catspoele in Delleboersterheide was mijn fotomaatje, Jan. Ik wist dat Jan ook wel eens de ringslangen met eigen ogen wilde zien, maar helaas was het de laatste tijd geen mooi weer op onze gezamenlijke fotodagen.
Op deze zonnige dag – een geschikte dag om ringslangen te spotten – hadden we onafhankelijk van elkaar het plan opgevat om een kijkje te gaan nemen bij de ringslangen. En zo keken we samen uit over het water in afwachting van zwemmende ringslangen…

Ons wachten werd beloond, daar kwam uit het niets een ringslang voor ons langs zwemmen. Mooi zoals het spiegelgladde wateroppervlakte werd doorbroken door een lichte rimpeling.

Even later kwam er een ringslang langs die schijnbaar last had van cameravrees, hij bleef onder water zwemmen. Een volgende slang gleed uit de begroeiing in het water en zwom net zo snel weer terug naar die beschutting. Ringslangen zijn schuw, ze kunnen niet horen maar wel heel goed trillingen voelen.


Wederom gleed er een slang door het water. De ringslang gebruikt de staart om te roeien. De ringslang dankt zijn naam aan de twee geelwitte vlekken achter zijn kop. Doordat die vlekken elkaar raken lijkt het een halsband of ring.



In tegenstelling tot de vorige keren dat ik bij de Catspoele was, lagen er deze keer bijna geen ringslangen te zonnen met uitzondering van deze twee.


Het bijzondere bij deze slang was dat deze tijdens het zwemmen geen enkele rimpeling veroorzaakte.


Het reukorgaan is het belangrijkste zintuig voor de slang. Hoewel slangen wel ademen door hun neusgaten, ruiken ze er niet mee. Slangen gebruiken namelijk hun tong om geurdeeltjes op te vangen. Als een slang zijn tong uitsteekt, blijven er geurdeeltjes aan plakken. Als een slang vervolgens zijn tong weer naar binnen trekt, wrijft hij met zijn tong langs het geurzintuig dat in z’n verhemelte zit. Dat geurzintuig neemt de geurdeeltjes waar en stuurt een signaal door naar de hersenen. Een slang heeft een gespleten tong, daarmee kan hij ´in stereo´ ruiken. De slang kan door zijn gespleten tong bepalen waar de geur het sterkst is. Zo kan hij bijvoorbeeld de plaats van zijn prooi bepalen. Als hij meer geurdeeltjes van zijn prooi opvangt op het linker uiteinde van zijn tong, weet de slang dat hij zijn prooi in die richting moet zoeken.
